Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIL

MOEDER.

Nu zat ze in de stilte van haar kleine kamertje den langen, droeven dag te bepeinzen.

Het kleine olielampje met de gele pit, die stil te tintelen stond, scheen over de tafel en over den open Bijbel, die er op lag; ook over moeders schrompelige werkhanden, over haar voorhoofd

gleed een glanzig ncm. Haar hoofd wat voorover gebogen, haar oogen starende op de gelige Bijbelbladen, zonder te zien, haar handen gevouwen, zat ze roerloos te denken en te wachten, langen tijd.

Zoo zat ze eiken avond te wachten. Dan luisterde ze, of er ook voetstappen klonken langs den eenzamen weg; of ook eindelijk iemand komen mocht en rinkelen aan het houten tuinhekje, en vlug mocht aanloopen over het klinkerstraatje: of er ook een de

deur mocht openduwen, die immer aanstond, zoolang zij te wachten zat, en zijn hoofd naar binnen steken:.... „Moeder, nou ben ik toch terug, al zeiden ze allemaal, dat ik nooit meer terug zou komen. U hebt gebeden en u hebt trouw gewacht

Sluiten