Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9

In de gelagkamer klonken opeens luide stemmen.

De Roever sprong op en fluisterde: „Wacht even, Frans "

Hij verdween haastig.

Frans Pommer — hij was 't — luisterde aandachtig, en toen hi, de stem van een Franschman, klaarblijkelijk een officier; meende te verstaan, dook hij in 't hooi en — sliep.

't Duurde niet lang of de deur, waardoor De Roever verdwenen was, werd opengeworpen en enkele luidruchtige Fransche soldaten kwamen den stal binnen.

Frans verroerde zich niet; maar een rilling van schrik ging hem door 't lijf. 't Was de vrees van den schuldige, die telkens weer meuwe gevaren ducht.

Zou 't om hem te doen zijn? Zou hij door den een of den ander, die hem in zijn vermomming van kijkkastman töeh herkend had, verraden zijn? Er waren altijd menschen genoeg, die een wit voetje bij de machthebbers zochten te krijgen, zelfs wel onder , eigen stadgenooten. Zou die dikke bakker uit de Lijsbethstraat soms?. Straks, toen Frans op 't Vreeburg zijn kast vertoonde, had de dikbuik hem zoo vreemd en zoo lang aangekeken. Kénde hi, frans? Misschien wel, misschien niet. Hij kende zeker zijn broer Jan; Jan en hij leken zooveel op elkaar; en 't was wel bekend onder degenen, die den ouden mééster Volkertsz kenden, dat zijn kleinzoon ook al gedeserteerd was, zooals wel meer Utrechtsche jongens gedaan hadden. Ja, 't was en bleef gevaarlijk hier in Utrecht vooral, zoomaar op de straten zijn moois te vertoonen, maar t gaf hem een goede vermomming en stelde hem in de gelegenheid veel te hooren en te zien, dat nuttig voor *ijn meesters kon zijn. 8 '

Hij hield zich doodstil. Misschien bemerkten de Franschen hem niet eens.

De stem van den officier klonk: „Hoeveel paarden kun je leveren, waard? Twee maar? Weet je dat wel zeker? En ik zie daar ook nog een boerenwagen; kunnen we ook uitstekend gebruiken, wel ja. s

Frans gevoelde zich verlicht, 't Was niet om hem, i was om De Roevers paarden te doen.

deDsch«l°S Êrtom.d%Terontwaardigd terug, dat de Franschman de schuldbekentenis, die hi, wilde geven voor het afstaan van de paarden en den wagen, ook wel houden kon. Er zou immers van betaling toch nooit meer sprake zijn. De officier antwoordde uit de hoogte, dat De Roever, als burger van 't Fransche Keizerrijk

Sluiten