Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23

de soldaatjes misschien wat spottend aangezien — ofschoon ik niets bemerkte — want opeens gaf een der verwaande snaken hem een klap in 't gezicht, dat 't kletste. De man wilde terugslaan met de schop, die hij bij zich had, maar voor hij zich verweren kon, zaten hem wel vijf van de schelmen op 't lijf en sloegen hem

tegen den grond. M'n bloed kookte "

,,Ja, dat geloof ik," zei De Roever, die zijn vuisten voelde jeuken.

„Hè, 'k had den stakker zoo graag geholpen, maar ik weifelde.

't Was zoo gevaarlijk, ziet u Als ik eens ingerekend werd en

herkend? 't Zou toch vreeselijk zijn, nu nog in de val te loopen, nu de vrijheid zoo dichtbij schijnt te komen?'

Grootvader knikte.

„Daarom zou ik straks ook liever alles gèwaagd hebben dan me te laten vangen Straks, hier in de gang, bedoel ik

Ik liep al door, in stilte hopende, dat toeschietende voorbijgangers wel zouden bijspringen; maar — hè, ik schaam me mijn eigen lafheid nog als ik daaraan denk — toen wrong zich opeens een oud moedertje tusschen de worstelende soldaten in. Ze had twee meisjes bij zich, twee kleinkinderen zeker, en die trokken haar vol angst aan haar rokken, 't Dappere oudje probeerde de schelmen van den man af te rukken, ze had ze wel allen tegelijk willen vastgrijpen, en ze schreeuwde: „„Foei toch, dat is

gemeen foei, laat den armen man toch los! Laat je 'm los?

Je maakt hem dood, gemeenerds....""

Ze stompten 't vrouwtje achteruit; een van haar kindertjes struikelde en kreeg nog een trap toe van zoo'n dapperen kerel; t andere kwam hevig geschrokken naar mij toevliegen en greep

zich met 'r beide armpjes om mijn beenen heen Kijk, toen

kreeg ik zoo'n vreemd gevoel van medelijden en kwaadheid over me, dat ik mijn voorzichtigheid heelemaal vergat, en, toen een der schurken schaterlachend zijn handen naar 't kind uitstrekte, zeker om 't uit plaagzucht los te trekken, ja, kijk, toen kon ik t toch óók niet langer uithouden."

Vees- of Godshuizen van Napoleon's groote rijk, vondelingen, zwervers en dergelijke, en opgevoed als militair, 't Was een wonderlijk samenraapsel van franschen, Italianen, Piëmonteezen, Duitschers, Brabanders, ook Hollanders waren berucht om hun Verregaande onverschilligheid en ruwheid. Bii een vechtpartij met jongens uit het Utrechtsche Burgerweeshuis, die hen uitgescholden hadden, hakten zij er met hun sabels zoodanig op los, dat vijf weesjongens gewond werden, en een zesde door een steek getroffen, dood ter aarde viel. i

Sluiten