Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

53

geen macht meer had. Hij had gevochten als een razende, maar ze waren te sterk. En in, dat groote verdriet, omdat hij zijn keizer niet vinden kon, had hij gehoord, telkens weer: „Larousse, mijnheer Larousse", door een zachte fluisterstem gesproken, 't Was een kleine, zachte blijdschap geweest in zijn schrijnend "verlangen. En nu, hoor, daar is het weer: „Mijnheer Larousse, moet u drinken?"

Drinken? Ja, ja, drinken moet hij. Zijn keel is dichtgeschroeid van dorst Maar de keizer? Is hij weg? Was 't een droom?..

Hij opent de oogen; ginds, 't lijkt hem vèr, heel ver, glimt een lichtje, en hier, hier vlak bij hem staat iemand. Is 't de keizer?

Neen! Maar 't is hem tóch heel goed, dat hier iemand staat.

't Is geen vijand; die oogen zijn vriendelijk, heel vriendelijk, en in die stem is een blij geluid. Hij kent dat geluid, en hij kent die oogen. Waar is hij toch?

Ha, dat smaakt! Hij drinkt met volle teugen en 't is, of dat frissche water zijn hoofd ook helderder maakt. Dat lichtje schijnt dichterbij gekomen. Hij ligt in een bed, en daar staat een jongen....

„Vervloekt!" Nu begrijpt hij ineens. Hij is bij den deserteur, die hem straks wilde wegslepen van tusschen die schurken. Hij stoot den beker terug, wringt zich om, wil niet meer zien; maar de vreeselijke pijn, door die beweging weer opgewekt, maakt hem machteloos.

„Mijnheer Larou " schrikt Jan, van die plotselinge stugheid.

Dan gaat de deur open. 't Is moeder; ze wenkt Jan.

„Is Frans ?" roept hij bang. Hij heeft moeders blik verstaan, 't Is slechte tijding. „O, moeder!". ... Hij snelt haar na, 't achterhuis in.

Jean Larousse ligt alleen. Hij balt zijn vuist. Straks zal die Frans zeker binnenkomen, en aan het bed. Hij, de laffe Hollander, die niet meer strijden wilde voor zijn keizer, die naar moeder ging; ha-ha-ha! als een kind, bah! O, kon hij hier maar weg, dat hij dien overlooper niet zag; maar hij zal hem zeggen, dat hij hem veracht!

En toch — wat was er een heerlijkheid straks in die dankbare oogen van den knaap. Dat was een oogenblik geweest een vreemd, nieuw geluk voor hem. Neen, toch niet. Die oogen zouden hem nu weer week maken en vriendelijk Neen, hij wilde niet vrien-

Sluiten