Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

68

ik leef blijf ik 't Oranjehuis trouw. Nou voelen de Hollanders, dat ze bij elkaar hooren, allemaal! Al die partijschappen zijn uit den booze. En als er vreemden in 't land komen, om te zeggen hoe 't moet, wordt het heelemaal mis."

„Oranje boven!" bulderde hij over 't plein en zwaaide opgewonden met zijn hoed.

„Oranje boven!" juichte 't volk hem na. „Leve de prins! Leve de Stadhouder!"

„Prins, Stadhouder?.... Koning zal hij zijn!" schreeuwde De Roever.

„Koning zal hij zijn!" riep het volk, en onder een lustig Wilhelmus trok het weer verder, de Voorstraat in, naar de Wittevrouwenpoort: uit de richting van Zeist werden immers de troepen van de verbonden mogendheden verwacht.

„Ze komen! Ze komen er aan!" schreeuwde een jongen, die zich met enkele kameraden op de wallen, dicht bij de Wittevrouwenpoort, op een verborgen plekje achter wat struiken verscholen had gehouden, om niet door de schildwachten weggejaagd te worden, 't Was Karei van Merleveld. Jan Pommer en nog drie oude schoolkameraden, die elkander in de drukte van de stad ontmoet hadden, waren ook van de partij. Ze hadden op dien wal een prachtig uitzicht over de Biltsche Steenstraat, en toen ze daar in de verte het gejoel van een naderende menigte hoorden, schreeuwden ze 't naar beneden, bevend van blijdschap, ook omdat zij 't waren, die 't groote nieuws het eerst konden uitroepen: „Ze komen er aan! Ze komen er aan!"

Een der wachten bemerkte hen nu, maar behoefde hen niet meer te verjagen. Ze waren al weggestormd, om zich een plekje tusschen de opdringende menigte binnen de poort te veroveren, en die langverwachte reddende vreemdelingen te zien.

„Uit den weg, menschen! Ga nu terug! Er kan zoo niemand door," vermaande Kapitein Dijker, de bevelvoerende officier van de burgerwacht en trachtte de menigte terug te dringen.

„Ja, ja.... Oranje boven!" schreeuwde men vroolijk.

„Ja, ja, we gaan al!" maar het wilde gedrang bedaarde eerst wat, toen Van Merleveld met zijn ruiters helpen kwam de orde te handhaven.

„Pa, pa, ze komen er aan; we hebben ze gezien!" riep Karei met een hoogrood gezicht van opgewondenheid. Pa hoorde 't niet.

Sluiten