Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

205

De dronken mannen trokken hun zijdgeweer en joelden:

„Hij heeft ons lang genoeg gekoeionneerd! Weg met den Commandeur, en leve de bootsman!"

„Voorwaarts dan, mannen, en vreest niet!" riep Hendrik de Hoogh, terwijl hij zich aan de spits der bende plaatste. „Weg met den Commandeur!"

„Ja, ja, weg met hem! Laten we hem over boord gooien! Weg met hem!"

Onder gekrijsch en getier trok de troep op de kajuit aan, waar Compaan met samengetrokken wenkbrauwen hen hoorde komen.

„Wapen je, Herman!" riep hij zijn kajuitsjongen toe, die zich haastte dat bevel uit te voeren.

Weldra was de tierende troep de deur van de kajuit genaderd, waar de twee Friezen met getrokken zwaard gereed stonden, hun meester tot den dood toe te verdedigen.

„Terug, als je leven je lief is!" riep Agge hun toe.

„Terug, — of sterf!" riep Willem, terwijl hij zijn zwaard ophief om den eersten, den besten, die het wagen durfde binnen te dringen, het levenslicht uit te blusschen.

„Voorwaarts!" riep Hendrik de Hoogh zijn volgelingen toe. „Geen pardon, voor niemand! Slaat hen neer!"

Tal van zwaarden werden opgeheven en onder een hevig getier drongen de muiters op de beide trouwe Friezen in. Reeds zagen dezen den dood voor oogen, toen plotseling de kajuitsdeur opengeworpen werd en de reusachtige gestalte van Compaan aan den ingang verscheen. Reeds de verschijning alleen van die indrukwekkende gestalte deed den moed van sommige muiters hun in de schoenen zinken en angstig drongen zij achteruit.

Met het zwaard in de vuist dreigend opgeheven, bulderde Compaan den mannen toe:

„Wat moet dat beduiden? Wie waagt het, hier de rust te verstoren?"

De bootsman begreep, dat thans het kritieke oogenblik was gekomen, dat over nederlaag of oveminning zou be-

Sluiten