Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

212

Zoo deden zij, maar in plaats van een kleinigheid kocht Herman een mooien dolk in een prachtig bewerkte scheede, welke hij tusschen zijn gordel stak. En toen vroeg hij, terwijl hij het verschuldigde betaalde, hoe hij loopen moest, om op het plein Esbekiëh te komen.

Maar de koopman keek hem al even verwonderd aan, als de jonge Arabier gedaan had, en zeide, dat een plein van dien naam hem niet bekend was. Dat bestond niet in Saleh.

„Maar woont u hier al lang, en is u hier goed bekend?" vroeg Herman, wien het was, of hij een steek door zijn hart kreeg, toen hij dat antwoord vernam.

De koopman lachte en zei:

„Ik ben hier geboren en heb hier mijn levenlang gewoond. Zou ik hier dus niet alle pleinen en straten bij name kennen ? Ik verzeker u, dat het plein Esbekiëh hier niet bestaat."

„Kent u dan misschien een zekeren Said-Ibn-Habib, die karavanenleider van zijn beroep is?"

„Neen, dien ken ik niet, en ik heb ook nog nooit van hem gehoord."

Herman kreeg een prop in zijn keel en kon, ondanks zijn achttien jaren, bijna zijn tranen niet bedwingen.

Hij omklemde het gevest van zijn pas-gekochten dolk, en vroeg:

„Kent u dan misschien een zekeren Mozes, een Joodschen koopman ?"

„Ja, dien ken ik, maar ik ga naar den anderen kant van den weg, als ik hem tegen kom. Hij is een bedrieger, een schurk, met wien geen fatsoenlijk man iets te maken wil hebben. Wees op uw hoede voor hem, jonge man, laat mij u waarschuwen.

„Waar woont hij?" vroeg Herman kortaf en met een onheilspeilenden gloed in zijn oogen.

„Dat weet ik niet. Zulke menschen behooren niet tot mijn vrienden," was het antwoord.

„Goeden avond," zei Herman, terwijl hij zich omdraaide en den winkel verliet. Thijs, die een innig medelijden met

Sluiten