Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

21

dek neer, vormden een kring en haalden op van allerlei gevallen, die ze op vorige reizen gehoord hadden en welke regelmatig met een treurigen afloop eindigden.

Wim was bij vader gedrongen, die het roer gegrepen had en voor zich uitstaarde.

„Gelooft u er niet aan, vader," vroeg hij eindelijk.

„Ik weet 't niet, jongen, ik heb nog nooit een meermin gezien en de mannen, die er over vertellen, zagen zoo'n wezen slechts in de verte. Ik weet niet, wat ik er van denken moet, maar het weer staat me niet aan; het is me te stil, te drukkend en als ik goed zie, komen daar aan de kim wolkjes tegen den wind in. Ik denk niet, dat we dit weer zullen houden. Maar ga nu ter kooi, morgen kan je je krachten misschien wel noodig hebben."

De zon neigde ten ondergang. Als een bloedroode schijf zonk ze in de donkere wolkenbank, welke zich aan den horizon omhoog werkte. De zee nam een grijsgrauwe tint aan, alleen hier en daar ontwaarde men de donkere gloed van het wegstervende zonlicht, als schitterende plekken, temidden van het geheimzinnig zwart.

Verscheidene mannen hadden zich naar omlaag begeven, alleen de wacht bleef op het dek achter.

Te middernacht werd men aan boord opgeschrikt

Sluiten