Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

69

werkelijk te doen was, om slechts mee te rijden, schikte ze zich in 't geval en legde de zweep over 't paard.

Zoo sukkelde men voort; de weg was toch zeer hobbelig en natuurlijk niet geplaveid. Van zulke weelde wist men in de zestiende eeuw nog niets. De kar had ook geen veeren, zoodat ze herhaaldelijk door elkander werden geschud. Het paard had eveneens zijn beste jaren reeds gehad en nam er den tijd voor.

Zoo was er veel op den rit aan te merken, doch de ongelukkigen gevoelden zich op 't oogenblik den koning te rijk, dat ze geborgen waren.

Nu en dan wierp de boerin een schuinschen blik op haar buurman. Het scheen toch niet zoo'n ruw mensch, als hij zich straks had voorgedaan. Wat zou het voor iemand zijn ? En eensklaps won haar nieuwsgierigheid het van haar vrees en vroeg ze:

„Waar komen jelui vandaan? Ieren zijn jelui niet wel?"

„We zijn schipbreukelingen, moedertje en hebben de laatste twee dagen verschrikkelijk geleden. We hopen in de stad bescherming te vinden en een onderdak."

„Stumperds, dan zullen jelui ook wel honger hebben. Hier is wat brood met kaas!"

Sluiten