Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

82

„Hm, maar jongen, je bevalt me; de eerste week kan ik je wel gebruiken op mijn visschersschuit. Ga mee, dan zal ik je bij de vrouw brengen."

De oude man wenkte Wim en sloeg een der nauwe straatjes in, die aan de haven uitkwamen.

Wim volgde en weldra stonden ze stil voor een kleine woning, waarvoor netten hingen te droegen. „Ga mee," zei de oude, „hier is de vrouw." Tegelijk wees hij op een dikke, gezellige moeke, die voor een waschtobbe stond.

„Hier heb ik een nieuwen huisgenoot, vrouw, hij kan zeker wel op zolder slapen."

„Best, vader. Zoo, jongen en blijf je bij ons; waar kom je vandaan?" „Uit Holland." „Uit Holland, waar ligt dat?" „Och, mensch, aan den overkant van de zee, daar komen we nooit," viel de oude in, „de jongen is 'n schipbreukeling en heeft geen penny op zak, om naar zijn land terug te gaan, maar ja, dat gaat zoo makkelijk niet."

„Och arme en heb je nog een moeder ?" „O, ja en een broer en een zuster." „Dat moet je me eens alles vertellen, maar vooraf zullen we voor de maag zorgen."

Sluiten