Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28

en als wij dat maar zonder morren of tegenpruttelen doen, als wij ons maar, zwijgend, als schapen naar de slachtbank laten drijven, dan zijn we „goeman" voor en „kom» peer" achter. Doch zijn de vetpotten er weer en is de vijand weg, dan zou ieder burger wel een bezemsteel willen nemen en ons, onder het geschreeuw van: „Pak je weg, gespuis," de poorten uitjagen,"

„Mij krijgen ze de stad niet uit," zeide een derde. „Ik zou wel eens willen weten, wie het wagen zou, mij met geweld de poorten uit te jagen. Dat zou ik willen weten !**

Hij sloeg met den harden lederen handschoen zoo hevig op de onbeholpen tafel, dat de bierkannen er van opwipten.

„Het is mij om het even of je wilt of niet, man," zeide Meester Andries Albertsz., de Bevelhebber. „Inplaats van Cornelis Adriaensz., den trommelslager, dien je geen van allen schijnt te verstaan of te hooren, want hij is verscheidene reizen tevergeefs geweest, kom ik zelf het bevel van den Magistraat brengen. Ik weet nu dat je mij verstaan en gehoord hebt. Wil je nu niet vrijwillig uittrekken, wacht dan de gevolgen af! Goeden avond !"

Meester Andries Albertsz. was geen man om er mede te Spotten, en waar een ander zkjh nog door eenig gevaar liet weerhouden, daar wist hij van geen vrees, en hij deed, wat er te doen was. Dat wist Pieter van Wezel ook wel, doch de deugniet had er een bedoeling mede om de soldaten in hun koppigheid te stijven, en daarom zeide hij, zoodra de Bevelhebber weg was: „Zou men niet zeggen, dat die Meester Andries voor Veldheer in de wieg gelegd is? Eén ding i$ maar jammer,"

„Wat is jammer?" vroeg een soldaat,

„Dat de Prins hem niet aanneemt om, inplaats van Graaf Lodewijk, die nu eens hier dan daar is, aan het hoofd van een leger te staan. Hij heeft nu met alles en alles niet meer dan maar zes-en-tachtig man onder zijn bevelen, en als

Sluiten