Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

daarop zag men twee jongens de soldaten en van Wezel voorzichtig nasluipen.

Geen nieuws in de stad sedert verleden week?" vroeg van der Does aan van Aecken toen deze binnengekomen was en een kan wijn voor zijn gast had neergezet.

„Neen, Uwe Edelheid ! De Magistraat is nog altijd verdeeld in twee partijen. De sterkste is die, welke, öf uit opzet, óf uit onkunde, volhardt, in het geloof, dat de Spanjaarden zich aan geen tweede beleg zullen wagen."

„Laat men daarom de schansen van den vijand onaangeroerd ? Mij dunkt, dat het meer dan noodzakelijk is, dat ze geslecht worden, en zoo spoedig mogelijk ook! Er mag werkelijk niet langer mede gedraald worden!"

„Zoo denken Burgemeester Pieter Adriaensz. en Secretaris van Hout er ook over, doch ze ontvangen te weinig steun om de zaak door te zetten, Uwe Edelheid !" „En het geschil over het koopen van koren ?" „Nog in het geheel niet bijgelegd. Er is trouwens ook te weinig geld in de stadskas om veel koren te koopen."

„De nieuwe munt schijnt in Holland niet gewild te zijn, al heeftZijne Excellentie er ook haar goedkeuring aan geschonken."

„Wat zal ik u zeggen, Uwe Edelheid? Als mannen, zooals Pier Quaet-Gelaet, de onnoozele Leidenaars weten te bepraten om de papieren munt niet tegen het nieuwe geld te laten inwisselen, dan zeggen ze daar buiten: „Als de Leidenaars zelve die munt niet vertrouwen, waarom zouden wij het dan doen?"

„Houd je het er mogelijk voor, dat nog niet al het papieren geld ingewisseld is ?"

„Nog lang niet, Uwe Edelheid! Pier Quaet-Gelaet had er nog een buidel vol van en zeide, dat hij het niet verkoos in te wisselen."

„Die jammerlijke opruiers toch! Als zulk slag van booswichten er niet was, dan zouden hier in de stad en in heel het land de zaken een' anderen loop nemen, dan ze nu doen!"

Sluiten