Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

63

gegraven. Maar behalve al deze veranderingen was het Leiden van toen nog heel wat kleiner in omvang dan heden.

Gedurende de belegering was de Oude Vest de gracht, die om de wallen der stad lag, en wanneer men van de Zijlpoort af voorbij het oude Ziekenhuis ging, en dus de Oude Vest aan de rechterhand liet liggen, dan kon men loopen tot aan het einde der Paardestraat, zonder aan de overzijde der gracht iets anders te zien, dan het lage weiland in den omtrek en de torens van Rijnsburg, Warmond en Sassenheim in de verte. Neemt men nu nog in aanmerking, dat men in dien tijd een bijzondere vergunning noodig had om aan den buitenkant der stad steenen woningen te bouwen, zoodat er dan ook maar zelden gebruik van gemaakt werd, dan kunnen mijne lezers, voor zoover ze in Leiden wonen, of daar goed bekend zijn, als ze die buiten gebouwen, die er in den laatsten tijd gebouwd zijn, afrekenen, zich een tamelijk denkbeeld vormen van Leiden tijdens de belegering.

We verzoeken hun nu, één dag na de monstering en den omgang der schutterij, een huis binnen te gaan, dat op het Rapenburg staat. Het is gebouwd in den smaak dier tijden en de hooge voorgevel eindigt trapsgewijze in een punt, waarop een verroeste windwijzer zijn knarsend geluid laat hooren. Hier woont Andries Albertsz., de „opperste" Hoofdman der Burger-vendels, en het is van binnen te zien, dat hij ook een der meest welgestelde burgers is.

Het is Maandag, de vier-en-twintigste Mei.

De verschillende geruchten, die er geloopen hebben aangaande een nieuw beleg der Spanjaarden, beangstigen de burgers niet meer, niettegenstaande mannen, als Pieter Adriaensz., van Hout, Bronkhorst, Speelman, van Aecken, van Keulen, Jonkheer van der Does, de Schout Hendrick van Broeckhoven en vele anderen, hun medeburgers en den Magistraat gedurig aanmanen, toch niet zorgeloos in te dommelen, maar een waakzaam oog te laten gaan op hetgeen er buiten Leiden zoo al voorvalt. Daarentegen doen mannen,

Sluiten