Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

103

„Ei, ei, hoe moedig ! We zullen zien, als het zoo ver komt wat je dan doet, kameraad ! Maar ik ben hier vlak voor mijn huis, en daar ik vrij-man ben, ga ik nog wat slapen! Dag, schutter I"

„Wel te rusten, slaapbol," riep Leeuwke vroolijk en zocht zijn wachthuis weder op.

Nauwelijks was hij aangekomen, of hij vernam, dat Jonker van der Does er geweest was, en dat die naar hem gevraagd had.

„En heeft hij geen boodschap achtergelaten ?" vroeg Gerrit die eigenlijk wel wat in den knoei zat.

„Ja, hij heeft gezegd, dat je na afloop van de wacht eens bij hem aan huis moest komen," was het antwoord.

Met ongeduld wachtte de knaap het oogenblik af, dat er andere mannen zouden komen om de dagwacht te houden, zoodat hij dan naar huis kon. Zoodra dat oogenblik van aflossing gekomen was, bracht Leeuwke zijn musket thuis en haastte zich om bij Overste van der Does te komen, ten einde van dezen te vernemen, wat er voor hem te doen viel.

„Zoo, Gerrit, ben-je daar ? Dat is goed, jongen! Ik heb iets heel gewichtigs te vragen. Ben-je gauw bang ?"

„Voor alles, wat vleesch en beenderen heeft, niet, Overste ; maar voor geesten. ..."

„Met geesten zal-je niets te maken hebben 1 Je weet, dat door het onverwachte beleg verscheidene burgers, die voor zaken op reis waren, buiten de stad gesloten zijn, niet waar ?"

„Dat weet ik, Overste !# Daar heeft men onder anderen Thijsz., den goudsmid, Liefkens, den wever uit de Baaihal, Geert Soet, den timmerman "

„Juist, om Geert Soet is het te doen. We hebben van Geert bericht gekregen, dat hij van plan is om te Ter Gouw eenige schepen uit te rusten, ten einde ons hiermede van leeftocht te voorzien. Nu heeft hij gevraagd, of wij hier uit de stad hem wilden doen weten, wanneer wij gereed zouden zijn om hem te helpen. Hij zou de Spanjaarden bij de schans te Zwieten aanvallen, terwijl wij met de schepen onzer vrij-

Sluiten