Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

113

„Jawel, Senor !"

„Zoo, en waarom doe-je het dan niet ?"

„Ik heb zulk een hevige hoofd- en kiespijn, Senor," was Leeuwkes antwoord, en hij zette er zulk een onnopzel en dom gezicht bij, dat de Officier, die hem aangesproken had, uitriep: „Die jongen is niet wel bij het hoofd!"

„Of een volleerde deugniet, die ons praatjes wijsmaakt en mogelijk wel uit Leiden komt," sprak de ander.

Leeuwke verstond hem zeer goed en vroeg nu met nog

onnoozeler gezicht aan den eersten: „Wat zegt Uwe Edelheids kameraad, Senor ?"

De vraag was zóó leuk en het gezicht, dat er bij gezet werd, zóó dom, dat beide Officieren in een luiden lach uitbarstten.

„Hoe heet-je bengel ?" vroeg de eerste alweer.

„Ik heet Han- . Hoe heetje, bengel?" (Bladz. 113).

nes Hannesz., zooals mijn Vader heet, en ik kom uit Voorschoten. Mijn Vader is daar ketelboeter en mijn Moeder wascht voor het volk van Capitano Carion. Hi-hi, ze maken veel goed vuil die mannen 1 Moeder zegt, dat ik veel zuidelijker op mijn spulletjes ben!"

„En wat moet-je hier doen, als je te Voorschoten woont ?"

„Ik ga naar Hasaertswoude, Senor 1 Daar woont een vrouw, die helpt alle menschen van de kiespijn af door wrijven, en ik wil naar die vrouw 1"

„Maar dan maak-je een verschrikkelijk grooten omweg,

De Sehippersjongen. *

Sluiten