Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

114

baasje!" zeide een der officieren, die wel wat wantrouwend scheen te zijn.

Dat was waar, maar Gerrit liet zich zoo gauw niet vangen en zeide: „Ik had voor den trompetter uit Don Carions vendel een boodschap aan den Vaandrig van den Drossaart van Wedde, die te Leiderdorp ligt, Senor!"

„En je Vader is ook soldaat?"

„Neen, Senor, Vader is ketelboeter!"

„Wat is dat: een ketelboeter ?"

„Ja, ziet u, Senor, als Uwe Edelheid een kapotten ketel heeft, dan zet Vader er een lapje op, of hij soldeert het gaatje. Dat doet hij wat goed, dat zeggen de soldaten van Don Carion ook, maar ze betalen hem niets, als hij wat voor die lui geboet heeft 1"

„Och, kom, ga maar mee, Diala," zeide de ander. „Die knaap is niet recht wijs! Wat sta-je met dat bedelpak te snappen ?"

„Hij kan toch wel degelijk een spion of overlooper uit Leiden zijn," merkte de ander aan.

„Denk-je dan, bij San-Jago, dat die uit Leiden een kalf zullen overzenden ? Als ik jou was, nam ik den knaap mee, en bracht hem bij Valdez in de legertent! Wie weet welk een belooning er op zat!"

„Als de Heeren nu soms een ketel mochten hebben, die gelapt moet worden," begon Leeuwke weer, „willen ze het dan maar laten weten ? Dan kom ik zelf hem halen! Zoo waar als ik zeg, Duitsche Pier lapt ook ketels, maar die komt ze niet halen, en hij is ook veel duurder dan. . . ."

„Loop met heel je ketellappers-famielje naar de galg, bengel!" zeide Diala en volgde zijn vriend, die reeds heengegaan was.

„Dat is weer door een zuren appel gebeten," dacht Leeuwke en vervolgde andermaal zijn v/eg.

Dicht bij Pdiinenburg lag een bierhuis, waar de schippers dikwijls aanlegden tot het afgeven van pakjes, en er ook wel een kan bier dronken. De tavernier was een geheim aanhanger van den Prins, en reeds stond Leeuwke gereed om

Sluiten