Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126

schoten I" schreeuwde een Spaansch Hopman. „Vangt hem», mannen, levend of dood !"

„Hoor-je het, Keesje, ze willen me vangen, als een spreeuw l Hier pak aan je lootje, en als jij niet genoeg hebt, opperbest, man, dan kan-je nog meer krijgen," riep Leeuwke en sloeg den naderenden Spanjaard een haak op het hoofd.

Intusschen was van Schaeck op het voorste gedeelte van zijn schuit aan den slag. Zijn eenig wapen was een ouderwetsch, verbazend groot slagzwaard, doch dat wist hij zoo goed te hanteeren, dat de Spanjaarden hem niet aan het lijf konden komen.

Bij het begin van den tocht had hij Cornelis, van wien hij veel hield, even terzijde genomen en hem in het oor gefluisterd : „Lever jij vandaag nou ereis je proefstuk op oud vaderlandsche wijze, jongen ! Dan zal Vader van Keulen eens recht in zijn knollentuin zijn 1 Doe-je 't, ja ?"

.iJa. )a< graag. heel graag," had Cornelis daarop geantwoord, en dat het hem meenens geweest was, bewees hij nu, waar hij met de kolf van zijn musket de vijanden niet alleen van zich afhield, maar hen zelfs met wonden deed terugdeinzen.

Daar klonk het schot van een veldslang langs het water en onder de Spanjaarden begon eenige verwarring te ontstaan.

Zoodra de Leidenaars het afgesproken teeken gezien hadden, werd er terstond alarm geklept en eenige oogenblikken later werd een uitval gedaan aan de Hoogewoerds- en de Zeilpoort.

Toch was de worsteling hevig en vooral op de schuit van Barend van Keulen.

Cornelis had zijn musket weggesmeten en evenals Leeuwke een heel gewonen schippershaak genomen. In onzen tijd zou zulk een haak een niets beduidend wapen in een veldslag of scheepsgevecht zijn, doch toen was zulk een haak in handen van varensgezellen een vreeselijk wapen.

Daar haakte hij een vijand in de kleeren en deze tuimelde in den Rijn, doch kwam onder het vallen los.

Sluiten