Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

135

en dan nog eenige groenten uit de nabij gelegen tuinen te halen. Ze was de laatste der twee-en-twintig, — niet tweeen-zestig, zooals men vaak leest, — schansen door de Spanjaarden gelegd, om de stad zóó in te sluiten, dat men niet dan met levensgevaar er uit of in kon komen.

„Hei, Cornelis, ga-je mee ?" riep Barend van Keulen. „Er is gelegenheid om den dood van je vriend te wreken! Heer Dirk van Bronkhorst en de Regeering hebben prijzen uitgeloofd aan hen, die het eerst de Spaansche schans buiten de Rijnsburgsche-poort beklimmen. De eerste krijgt zes, de tweede vijf en de derde en vierde vier gulden! Hallo, jongen, denk aan Leeuwke 1"

De aanval was verwoed en de dertig Spanjaarden kregen het weldra te kwaad.

„Ik ben de eerste \" schreeuwde Pauwels Vliechuyt.

„En ik de tweede!" galmde Cornelis, en de kolf van zijn musket viel dreunend op het hoofd van een Spanjaard.

„Dat is er al één 1" bromde hij en zette zijn vervolging voort, tot hij er twee gedood had, maar toen kwam een nieuwe bende Spanjaarden hun makkers bijstaan, en de bespringers moesten terugkeeren. In de stad gekomen, stelde van Bronkhorst den moedigen knaap zijne belooning ter hand.

„Geef dit geld liever aan Leeuwke's Moeder, Kapitein," zeide Cornelis. „Ik heb den dood van mijn vriend te wreken! Tien Spanjolen voor één Leeuwke! En ik heb er nog maar twee 1"

Er was een tijgeraard in den knaap gekomen. Anders altijd goedlachs, sprak er nu uit zijn oogen een zucht naar wraak, die men allerminst bij een jongen man zou zoeken, die slechts kort geleden de kinderschoenen uitgetrokken had. Het was zoo iets van dat, wat Hooft zeggen deed: „De soldburgers van Leyden leerden vast soldaten te zijn."

De edele van Bronkhorst zag met medelijden dat dierlijke in Cornelis, doch de omstandigheden hadden ook zijn gemoed verhard, en half aanmoedigend zeide hij nu, terwijl hij Cornelis op den breeden schouder klopte: „Wacht maar, mijn

Sluiten