Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

137

burgers uit de stad. Ze droegen flesschen, — kruitflesschen namelijk, — met buskruit en zwavel gevuld, bij zich, en, na er een brandende lont aan vastgemaakt te hebben, wierpen zij de flesschen in de schans.

„Victoria!" schreeuwde Filip Dirksz. en sprong op den wal der schans.

„Goê-morgen, kameraad," viel van Keulen, die hem terstond nagesprongen was, daarop in, en zijn vreeselijk wapen beschreef, suizend, een kring door de lucht en viel met zijn ontzettende zwaarte op de Spanjaarden neer.

Daar kreeg van Keulen zijn pleegzoon in het oog en zonder er bij op te houden met het zwaaien van zijn verschrikkelijk wapen, riep hij hem toe: „Heidaar, Cornelis! Hoeveel ?"

„Nog maar vijf, Vader!" was het antwoord.

„Goed, jongen ! Op, op, voor Leiden ! Hier, lange slungel van een vogel-verschrikker, pak aan je lot!"

Een Spanjaard valt met een gil op den grond, en een schaterlach, akelig om te hooren, is het antwoord, dat van Keulen daarop geeft.

De strijd is voor de Spanjaarden niet langer vol te houden. Zij werpen hun wapens weg, vallen voor de Leidenaars op de knieën en schreeuwen :

„Misericorde 1 (Genade!) Misericorde !"

„Ik heet niet Misericorde 1" riep van Keulen met denzelfden wreeden lach. „Ik heet Barend Cornelissen van Keulen 1" en andermaal werd de knuppel opgeheven.

„Misericorde ! Misericorde 1" klonk het ginds uit den mond van een Onder-hopman.

„Dat is er zes van de tien!" kwam er tandenknarsend bij Cornelis uit, toen hij een Spanjaard, die om genade smeekte, doodschoot.

De Leidenaars gingen vreeselijk te werk! Genade werd er niet gegeven ! Als wilde dieren, die uit hun kooien losgebroken waren, doodden ze alle Spanjaarden, die in de schans waren.

Sluiten