Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

182

Meester Jacobsz., „ik heb dit te zeggen. Eer sterf ik van honger, eer ik Leiden help overgeven. Zie, heel Holland, ja, alles, wat tegen Spanje strijdt houdt het oog op ons geslagen Voor duizenden en duizenden schats ligt om onzentwille onder het water bedolven. Hij is een lafaard, die den moed niet heeft tegen den vijand te strijden."

Geen moed hebben?" riepen „Rooie Jaap" en Martensz. tegelijk. „Dat heeft de Spanjool vroeger voor Haarlem ondervonden, waar we, als leeuwen, gestreden hebben, maar zonder honger."

„Wie het stalen zwaard van den vijand niet vreest, vreeze ook het hongerzwaard niet," sprak de grijsaard kalm, en hij vervolgde dan met vuur: „Te vallen, na een dapperen en wanhopigen strijd, met het stalen zwaard in de hand, wie dat kan, is een held! Maar grooter held is hij, die valt onder het hongerzwaard. Hij sterft onoverwonnen. En dat nu moet onze leuze zijn; we zijn het aan het Vaderland en aan de onzen verschuldigd. Wat ik in de vergadering van den Magisstraat voorgesteld heb, dat weet ge, maar wat ik daar voorstelde, zegt niet veel. De onderhandelingen met Valdez zullen tot niets leiden, dat weet ik vooruit. Doch als die onderhandelingen wat gerekt worden, dan — wie weet, keert de wind in dien tijd niet, dat de vloot der Watergeuzen onze veege stad kan naderen. Maar in alle gevallen, van heden af is er bij mij geen sprake meer van overgave, er gebeure, wat wil. En als je van mij een waarschuwend woord wilt hooren, dan is het dit: „Denkt aan Haarlem, dan weet-je, wat een gegeven eerewoord van een Spanjaard beduidt!"

„En als wij daaraan nu niet denken willen ?" vroeg „Rooie Jaap".

„Dan verraadt de oude paai ons," riep „Job de Snijder." „Menschen, als hij er een is, zijn tot alles in staat." „Hierop heb ik geen antwoord dan: zooals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten," klonk het fier. Woedend hoorde Job deze woorden aan, en met gebalde

Sluiten