Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

206

Maar de arme vrouw scheen haar lijden geleden te hebben.

Toch gaf Cornelis den moed niet op. Zoo spoedig hij kon weekte hij een stuk brood in wat warm water, deed er wat zout bij, en hield haar hiervan wat tusschen de geopende lippen.

Nog geen teeken van leven.

Cornelis werd schier wild van smart en bijna schreeuwde hij: „Hier is brood, Moeder! Lieve Moeder, hier is brood 1"

„Jongen! zwijg! Je Moeder is immers dood," zeide de Vader, en begon als een dier te eten van het brood, dat zijn zoon medegebracht had.

Nog eenmaal boog Cornelis zich over de dierbare vrouw heen, toen deze, die slechts in een hevige flauwte gevallen was, even een teeken gaf, dat nog niet alle leven uit haar geweken was.

„Vader, Moeder leeft nog," riep Cornelis nu, en tranen van blijdschap stroomden langs zijn wangen. „Kijk maar, Vader, ze probeert om het geweekte brood te eten, kijk maar !"

Thans trad Gonda aan de bedstede, en met een engelachtig geduld begon ze de bijkomende zieke te laven en te voeden. Tot groote vreugde van het heele gezin, stamelde zij een paar uur later, terwijl ze Cornelis zwak de hand drukte: „Dank je, Cornelis, dank je, lieve jongen!"

Het herstel vorderde evenwel bij gebrek aan versterkende spijs, zeer, zeer langzaam, en zelfs toen de heele stad bij het ontzet, vol vreugde, naar de kerken stroomde om daar God te danken, kon zij niets anders doen, dan op haar bed de handen vouwen, en daar, heel alleen, Hem danken, die ook haar bij het leven gespaard had.

Dag aan dag werden de arme Leidenaars zwakker en magerder ; dag aan dag kwamen er meer zieken; dag aan dag nam de sterfte toe!

De geroofde voorraad brood was in van Keulens gezin bijna verbruikt, en met angst zag men weer den tijd te gemoet, dat men niéts hebben zou, dan het weinige, dat voor de zieke Moeder moest overblijven.

Half onverschillig voor alles, wat hem omringde, liep Cornelis langs de straten.

Sluiten