Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

zande zou zelfs te min voor mijn moeder zijn, als deze niet zoo nederig ware. Neen, ik heb plan, hier in de buurt van „Die Haghe", voor mij een vorstelijk verblijf te laten bouwen, zoo schoon, als in heel het Duitsche Keizerrijk niet te vinden is."

„Wat al te ver van de grenzen van uw toekomstig rijk, heer zwager! Als gij de Duitsche vorsten noodig hebt, dan is het een al te groote reis om hen te bezoeken!"

„De Duitsche rijksvorsten komen den Duitschen keizer bezoeken, Avennes," zei graaf Willem op trotschen toon. „Niet de Duitsche keizer bezoekt zijn leenmannen!"

Graaf Jan van Avennes glimlachte even en zweeg, doch dat zwijgen van dien mond was welsprekend.

Ditmaal werd in de „Die Haghe" slechts een korte rust gehouden, en bij het heldere licht der maan vervolgde het aanzienlijke gezelschap weldra zijn weg naar Leiden.

„Hier, Avennes," zei graaf Willem, toen ze slechts eenige schreden van de herberg verwijderd waren, „hier komt het nieuwe hof van koning Willem. Reeds morgen aan den dag zal ik de beste bouwmeesters ten hove roepen om hen een plan van mijn koningsburcht te laten ontwerpen."

De jonge graaf sprak luide, zooals iemand, die in een opgewonden toestand verkeert, meest altijd doet. De edelen, die achter de twee graven reden, behoefden zich dus niet in te spannen om het gesprek te verstaan.

Onder deze edelen bevond zich ook zekere Ogier, heer van Berkenheim, een Kleefsch edelman, die zich bijzonder beijverd had om een der eersten te zijn, die den roomsch-koning hun hulde bewezen. Graaf Willem had die hulde dankbaar aangenomen, en de edelman maakte op hem zulk een aangenamen indruk, dat hij hem uitgenoodigd had tot een bezoek in Holland, en hieraan had heer Ogier gaarne gehoor gegeven. Bisschop Otto echter had dien edelman niet zoo gezien, of hij fluisterde zijn neef in het oor: „Wees voorzichtig in het kiezen uwer vrienden, heer neve! Ik vertrouw dien man niet; hij lijkt mij al te vriendelijk te zijn."

Sluiten