Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

55

had, dan kon men altijd nog zien, hoe er gehandeld moest worden.

Heer Ogier zelf was zeer ontevreden; de zaken gingen hem niet naar wensch. Om bij gelegenheid van koning Willems bezoek op den Berkenheim een groote vertooning te kunnen maken, had hij voorwerpen van goud en zilver, welke van aanzienlijke waarde waren, met zijn zwager, heer Jan van Wilborch, mee gegeven om ze in Mainz te beleenen. Heer Jan was echter verdwenen, diens vrouw was gedood en waar het meegenomen goud en zilver was, wist heer Ogier niet. Hij vermoedde wel, dat men het op den Rotsburg zou kunnen vinden, als het nog niet versmolten of verkocht was, doch dat was ook alles. Nu had koning Willem, tegen Kerstmis van het jaar 1247 van Aken naar Holland reizende, ook een bezoek gebracht op den Berkenheim, doch inplaats van er een schitterende ontvangst te vinden, was ze zoo armelijk, dat koning Willem zeer goed zien moest, dat de hulp van zulk een berooid edelman niet veel te beduiden had. Alleen zijn zwaard zou wat waard zijn, doch jammer genoeg, was heer Ogier geen held en zat hij liever achter den beker dan in het harnas te midden van den strijd. En dan dat geldgebrek van koning Willem, was het niet de kwaal, waaraan koning Koenraad niet minder leed ? Men wilde wel één der roomsch-koningen helpen, maar als men dat deed met zwaard, lans en strijdbijl, dan deed men werkelijk genoeg en van geld toegeven kon er geen sprake zijn. We moeten ook niet vergeten, dat velen der edelen zeer verarmd waren en niet dan met groote moeite hun stand konden ophouden. Naarmate poorters en dorpers meer welvaart begonnen te genieten, namen de inkomsten der edelen af.

Waarlijk, de vier speellieden hadden wel mogen zwijgen van „gouden kastanjes,",want er was zelfs dikwijls geen sprake van koperen. En als ze desniettegenstaande toch heel wat gouden kastanjes in hun bezit hadden, dan waren die niet afkomstig uit de schatkisten van de kasteelen, maar uit de beurzen van poorters en dorpers. Met dat al, lieten ze hun heeren toch niet varen, want alle beetjes hielpen, zoo redeneerden ze.

Sluiten