Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

Het was, alsof zijn paard dacht:,„Als het mijn meester onverschillig is, waar hij rijdt, dan wil ik de heerbaan wel eens verlaten en het bosch ingaan !"

Het dier deed het en toen heer Ogier een poosje later toch eens opkeek om te zien waar hij was, bemerkte hij, dat hij zich in een streek bevond, waar hij heg nog steg wist. Achter zich had hij een ruïne van een hem onbekend kasteel en vóór zich laag kreupelhout met een huisje in de verte. Daar zon hij eens naar den weg vragen, doch toen hij maar even voortgereden was, zag hij, over het kreupelhout heen, op ongeveer een uur afstands de torens van Aken. Hij had nu niets meer te vragen en zou zeer goed den weg vinden.

Langzaam reed hij door en de gedachten aan zijn toestand beheerschten hem weer zoo, dat hij niets anders zag dan den kop van zijn paard.

Stil! Hij meende te hooren praten.

Hij keek op en zag nu, dat hij het huisje al zeer nabij was en dat daar een monnik te paard met een soort van boer stond te praten.

Elke monnik was bij heer Ogier verdacht, maar nog veel meer een monnik te paard. En hoe zat die monnik te paard ! En hoe zat die in den zadel! Neen, neen, dat was geen monnik, dat was er weer een van den Wolfsburcht en wien hij ontmoeten wilde, geen van dien roofburcht.

Hij meende dat men hem nog niet gezien had en wilde nu snel tusschen het hoogere geboomte komen, maar eer hij zich uit de voeten gemaakt had, hoorde hij een monnik roepen : „Hei, hei, heer Ogier van Berkenheim, waar wilt gij heen ?"

Heer Ogier herkende die stem. Het was dezelfde, die hij den vorigen dag in Aken gehoord had en zoo hij er nog aan twijfelen mocht, dan maakte de monnik zelf alle twijfel tot zekerheid door hem toe te roepen: „Kom maar hier! Ik kan uw antwoord hier even goed vernemen, als in Aken!"

Een huivering overviel onzen ridder en zachtkens mompelde hij: „Hij is het, en nu weet ik het zeker, hij is heer Herman zelf!"

Sluiten