Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- III

ook niet noodig, want de schildknaap hielp heer Ogier bij het aandoen van de zware wapenrusting. Otto kon dus gaan en staan waar hij wilde, en hij maakte er in zijn eigen voordeel behoorlijk gebruik van.

De tent van heer Jan van Avennes naderend, begon hij alweer den gewonen, sluipenden gang aan te nemen. Men wist immers niet, wat men eens zou kunnen zien of hooren ?

Achter in de tent waren Koenraad en Wolfaard bij elkander.

„Maar als ze nu komen, terwijl de kroes rondgaat," zei Koenraad vrij luid.

Otto hoorde het, en legde terstond het oor tegen het zeil.

„Niet zoo hard, Koenraad," sprak Wolfaard. „Men kan u buiten hooren, en dat mag niet. En wat dien kroes aangaat, welnu, die is spoedig genoeg neergesmeten."

„Jawel, maar wat zal een ongewapende hoop tegen de welgewapende benden van de roofridders?" vroeg Koenraad nu wel zachter, maar toch niet zoo zacht of Otto hoorde het.

„Een ongewapende hoop? Mis, Koenraad," antwoordde Wolfaard.

„Men gaat toch immers nooit gewapend naar eenig feest?" „Neen, in den regel niet, maar — geen regel zonder uitzon,dering."

„Dus zal het volk gewapend verschijnen? Dan zal het achterdocht krijgen, en de verrader zal de roofridders tijdig waarschuwen."

„Laat dat maar aan mij over, Koenraad! Gij weet immers dat ik zoo sterk ben?"

„Dat heb ik vanmiddag gezien, toen ge heel alleen de kist oplichttet, waarin heer Jan een derde deel van het zilver, dat de paus zond, in bewaring heeft."

De luisteraar lachte vergenoegd, en dacht: „Hier is wat te halen, Otto! Als ze allen feestvieren, of — misschien op de vlucht geslagen worden, — dan, Otto, mijn jongen, hier ligt de kluit. Dat zou den buidel in één slag vullen. Maar — luisteren we."

Om toch geen woord van al het gesprokene te verliezen, hield

Sluiten