Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124

zijn geslagen, weet je dat wel ? Honderden onzer mannen zijn gevallen!" •

„Dat weet ik, maar tientallen hielden wij over om onze burchten te verdedigen en waar is de legermacht, die den Wolfsburcht of den Rotsburcht inneemt, wanneer elk dezer slechts door een dertig of veertig man verdedigd worden. Honger of dorst zullen ons niet kwellen al belegeren ze ons drie jaar aaneen. En de burchten bestormen, wie zal dat wagen, wie zal dat kunnen ? En dan, heer Herman van den Wolfsburg is de eenige, die in handen van onzen vijand viel; al de anderen zijn het ontkomen en waar de waterkoning met zijn heele^ legermacht het kleine Keizerswaard zoo lang te vergeefs belegert, hoe lang zal het dan duren eer hij met de halve legermacht een twintigtal roofburchten ingenomen heeft?"

„Gij hebt gelijk ! Zoo zag ik de zaken niet in!"

„En zoo staan ze toch. Maar ... ik hoorde weer wat en bijna aan mijn oor. Het was of iemand diep ademhaalde."

„Een spooksel," zei heer Herman huiverend.

„Nu, op ditzelfde plekje heb ik menig koopman gedood. Het kan zijn, dat ze hier nog als spook ronddwalen. Daarom, laten wij verder trekken !"

» „Graag, want ik gevoel mij zwak en verlang naar rust. Zoudt ge mij niet naar den Rotsburcht willen brengen ?"

„Het was mijn plan! Gij kunt er op uw gemak uitrusten! Kom, stijgen wij op, eer de dag aanbreekt. Niemand moet ons zien."

„Wij zijn toch dicht bij uw slot ?"

„O ja, voor een man te voet is de hoofdpoort in een kwartieruurs te bereiken, maar wij moeten op een andere wijze het slot binnenkomen. Van mijn volk moet ook niemand weten, dat heer Herman als. bevrijd en weer levend geworden gehangene de gast van den Rotsburcht is. Kom, deze steilte op \"

Met groote moeite besteeg het paard met twee zware ruiters beladen de hoogte en eindelijk weigerde het verder te gaan.

„Stijg af, dan leggen wij het overige te voet af. Het paard zal wel terécht komen."

Sluiten