Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

137

van Delft is op geen eerbewijzen gesteld, zij zal daarom reeds naar binnen zijn gegaan en dat de jonkvrouw er bij is, dat weet ik zeker. De omstanders hebben het mij verhaald. Maar wat moet die poorter ?"

Wolfaard wees op een man, die beiden aankeek.

„Die man is een groote schreeuwer, zei Koenraad. „Hij heeft mij naar mijn naam gevraagd, zie, nu komt hij weer op ons af. Kom, laten we heengaan."

„Waarom ?" Gij zijt toch niet bang voor hem ?"

„Neen, dat niet, maar ik ontmoet hem toch liever niet. Ik heb hem reeds meer gezien, dat weet ik zeker en toch is het mij onmogelijk te zeggen waar of wanneer."

„Nu goed, er is gelegenheid genoeg hem te ontwijken," zei Wolfaard, die met zijn ellebogen zich door de menigte baan maakte. Spoedig hadden beiden hun verblijf bereikt, waar Koenraad binnenging om in de eenzaamheid te klagen, dat hij Jolanda niet gezien had.

Wolfaard was aan de deur blijven staan, om de drukte aan te zien, en juist toen hij naar het einde der straat keek, waar een stoet van Hollandsche edelen voorbijtrok, klopte hem iemand op den schouder.

Wolfaard keek om en zag den man achter zich staan, dien ze in het gedrang ontweken waren.

„Gij verstaat -de kunst u baan te maken door het volk, maat" dus zei de vreemdeling lachend.

„Wel mogelijk," luide Wolfaards korzelig antwoord. „Maar wat wilt gij toch ?"

„Van u eigenlijk niets, goêman! Ik zou alleen maar eens aan den jongen, met wien ge zooeven samen waart, willen vragen hoe hij heet!" '--VO-.

„Dat heeft hij me al verteld, maar waarom wilt gij zijn naam weten ?"

„Omdat hij sprekend gelijkt op mijn vroegeren heer." „Wie was dat?" vroeg Wolfaard.

„Nu vraagt gij ook en staan wij gelijk. Wees nu eerlijk, en

Sluiten