Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

138

zeg mij hoe hij heet, nu ik u zeg: mijn vroegere heer was een man om hem nooit te vergeten. Hij heette heer Heinrich van Stolzenburg, en bewoonde een prachtig kasteel, dat aan de Our lag. Ik was zijn rentmeester en beheerde zijn uitgebreide goederen wanneer hij ten oorlog getogen was.- Eens echter, het is een goede veertien jaar geleden, liet hij den Stolzenburg van binnen geheel vernieuwen en om nu met zijn vrouwe en kinderen die drukte te ontwijken, betrok hij in de nabijheid van Vianden een jachtkasteel, dat hem ook toebehoorde, doch dat niet versterkt en open en bloot op een kleine hoogte gelegen was. Gevaar voor eenigen aanval van een vijand bestond er niet, en daar de verbouwing langer aanhield dan men gedacht had, zoo bleef hij ook gedurende den winter in dat jachtkasteel wonen. Wat gebeurde? Het is nu met Heilige Drie Koningen juist veertien jaar geworden, dat ik mij op een avond naar mijn moeder, die in Vianden woonde, begaf. Terwijl ik daar zat te praten over al de veranderingen, die er op den Stolzenburg gemaakt werden, hoorden we opeens een hevig rumoer op straat.

Moeder liep naar buiten, en oogenblikkelijk terugkomende, zei ze ontsteld: „Er moet ergens een hevige brand zijn. Heel de lucht staat in het noorden in vuurrooden gloed."

Ik sprong op, liep naar buiten, en nauwelijks zag ik in de richting van den hevigsten gloed, of ik riep uit: „Dat is de Stolzenburg, die in vlammen opgaat. Het werkvolk zal onvoorzichtig geweest zijn. En ik er niet bij! Wat zal mijn heere denken?"

„Op, op, te wapen," klonk het nu van een anderen kant. „Roofridders zijn gekomen, en hebben het jachtkasteel van heer Heinrich overvallen, en niet alleen hem, maar ook de vroüwe de kinderen en alle hofhoorigen als gevangenen meegevoerd ! Op, op! Te wapen! De roovers achterna!"

Er viel voor mij niet te kiezen. Eerst de roovers najagen, en dan naar den Stolzenburg. Ik wapende mij zoo goed ik kon, liep de mannen van Vianden na, maar, te vergeefs. De drieste

Sluiten