Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

iS6

„Dat is niet verstandig! Hoe wil men troost brengen, als men de oorzaak der smart niet kent ?"

„Ik ken ze, vrome vader, en nu kom ik u raad vragen. Ik weet wie die twee zijn !"

Vader Albertus glimlachte erg ondeugend.

„Gelooft ge mij niet, vrome vader ?"

„Het is geen ongeloof, dat mij doet glimlachen, heer Vinder! Het is verbazing, dat ge mij voor zoo onnoozel aanziet; dat ik niet weten zou, dat ge de ouders van Jolanda en Koenraad gered hebt. Ik wist het reeds den eigen dag van uw terugkomst. Ik begreep echter het doel van uw stilzwijgen en volgde het na, om er vier gelukkig, inplaats van diep rampzalig te maken. Maar nu gij zelf er over begint, ontvang mijn dank voor de redding van die twee, die ik zoo innig lief heb! God zegene u ervoor! Waarin kan ik u raad geven?"

Wolfaard kwam nu met een plan voor den dag, dat door vader Albertus zonder voorbehoud goedgekeurd werd en om een begin te maken met het volvoeren van dat plan, verliet Wolfaard een uurtje later het huis van de jonkvrouwe van Delft om zijn eigen verblijf te gaan opzoeken. Daar gekomen zadelde hij zijn paard en met nog een los gezadeld paard naast zich, rende hij naar het klooster, waarin heer Heinrich van Stolzenburg vertoefde. Gaarne had hij op dien tocht den rentmeester meegenomen, doch deze had niet zoo lang in Keulen kunnen blijven, en was reeds geruimen tijd geleden vertrokken, na van Wolfaard de belofte ontvangen te hebben, dat hij hem door reizende marskramers op de hoogte der zaak houden zou.

Wolfaard had heer Heinrich wel eens gezien, wanneer hij in het klooster kwam, doch de ridder, die zulk een in zichzelven gekeerd leven leidde, had nimmer acht op hem geslagen tn wist niet eens, dat hij de man was, die hem bevrijd had.

Zoodra nu Wolfaard "den prior van het klooster alles meegedeeld had, ging deze verheugd naar den ridder en zei, dat er iemand uit Keulen was, die hem noodzakelijk moest spreken.

Sluiten