Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Is de boodschap dringend, vrome vader?" vroeg de ridder. „Ik geloof het niet. Ik ken in Keulen niemand en niemand kent mij!"

„Mogelijk, edele heer, en toch kan ik u wel zeggen, dat de boodschap van dringenden aard is."

„Welnu, dat de man dan kome," klonk het op kouden toon. „Ik zal hem te woord staan."

Hoe verbaasd stond de goede prior toen hij terugkwam in het vertrek, waarin hij Wolfaard gelaten had, en daarin nu een minstreel vond met de luit in de handen.

„Vrome vader," zoo klonk het tot opheldering, „verbaas u niet te zeer. Ik ben Lodewijk van Vaelbeke, nu eens de dienaar van lied en snarenspel, dan de man, die wapenen voert om te helpen hem, dien hij hoogacht of liefheeft. Liever als minstreel, dan als krijgsman, zou ik den ridder op zijn geluk willen voorbereiden." $fflÈt&

„Ja, maar ik vrees, dat hij u zoo niet zal willen ontvangen."

„Breng mij slechts in een vertrek waar hij mij hooren kan, vrome vader! Doch eerst een vraag. Zoudt ge mij de harp van broeder Antonius willen leenen ? Ik zal dan met begeleiding der harp een lied voordragen om den armen vader langzaam voor te bereiden op de blijde tijding."

„Ik geloof dat Lodewijk van Vaelbeke hiertoe in staat is. Kom mee," sprak de prior.

Weldra was de minstreel nu in een vertrek, dat slechts door een dunnen, houten wand gescheiden was van de kamer waarin de ridder, hoorbaar voor den minstreel en den prior, met zware schreden op en neer liep.

Opeens stond de prior ontsteld. Wat hoorde hij daar ?

De beroemde zanger sloeg de vingers op de snaren en liet tonen en akkoorden hooren, zoo treffend schoon, zoo diep weemoedig nu, zoo aangrijpend forsch dan, dat de goede prior in stomme verbazing voor den bezielden kunstenaar stond. Wel waren zijn gelaatstrekken nog niet zoo schoon geworden als vroeger, maar de oogen, die spiegels der ziel, waren zoo vol vuur en gloed, dat men al het andere om die oogen vergat.

157

Sluiten