Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

NEL EN FRITSJE

I

„Is er wat Nel?" vroeg Fritsje, en hij liet zijn spel, het bakken van zandtaartjes, in den steek om naar zijn zusje toe te draven. Nel zat zoo bedroefd en alleen op de onderste trede der galerijtrap. „Hij moest haar eens gaan troosten," bedacht Fritsje, en hij knelde zijn armpjes om haar hals, en drukte zijn vuil gezichtje tegen haar wang. Fritsje zag er erg smerig en stoffig uit (vanwege 't bakken), maar daar lette Nel in 't geheel niet op. Zijn stevige zoentjes en streelende handjes verzachten haar leed, en ze trok hem op haar schoot, streek de bruine krullen van zijn bezweet voorhoofd weg, en wiegde hem in haar armen heen en weer.

„Je bent mijn kleine Poekeloeki, mijn kleine vieze Poekeloekie," plaagde ze.

Maar Fritsje vroeg heel ernstig: „Waarom heb jij gehuild Nel? Je neus en oogen zien er nog heelemaal rood van."

„Och Fritsie, die nare juffrouw ook...."

„Wat heeft dat mensch je nou weer gedaan?" onderzocht broertje ijverig.

„Ze zegt, dat ik brutaal ben geweest, en nou mag ik van haar morgen niet dansen in de soos."

2WÊÊÊËÊM

Sluiten