Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45

„U moogt wel gaan zitten, Raden-Ajoe," sprak de Regent neerbuigend vriendelijk, nadat hij en de Controleur hadden plaats genomen. „U weet tenminste, hoe het behoort," vervolgde hij, en keek even misnoegd naar neneh, die niet van haar stoel was opgestaan, 't Oudje trok zich echter niets aan van het bedekt verwijt, ze bleef even glunder kijken.

De paarden, de looper, Jan de koetsier (die verbazend met zijn lange zweep had geslagen en geknald), vielen amechtig op de galerijtrappen neer, en tante Letje had meelij met den kleinen oppas. Die zag er overwarm uit, de zweetdruppels parelden op zijn neusje. Hij had onderweg telkens voor looper gespeeld, wanneer Anton 't niet alleen afkon, de paarden voortgejaagd, als de weg erg steil was, en ze in vliegenden ren een poos lang bijgehouden.

„Wat zie je er uit, m'n kleine Parkiet," beklaagde tante haar heveling. „Drink maar gauw een lekker glas stroop, hartje."

Doch Fritsje, geheel in zijn rol, en zeer verontwaardigd: „Je mag geen „hartje" zeggen tegen den oppas van den Controleur. Pas op hoor, oude neneh, of ik laat je in de boei (gevangenis) stoppen." 't Was om bang van te worden, zoo streng als oppas, met een gefronst voorhoofd, onder den hoofddoek uitkeek.

De deftige heeren van 't bestuur, de paarden, de

Sluiten