Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

som van twintig centen, die Poekie er haar voor gaf, erg voordeelig besteed, wist van 't geheim.

Daar kwam Wongso. Of nonna Nel eens even onder aan de trap wou komen, daar stond een wagen met een groote kist er op, voor haar.

„Voor mij?" riep Nel verbaasd. Ze verwachtte heusch niets meer. Van pa en ma zoo heel veel, van Ronni een mooi boek, van Jan een vloeirol, Poekie had haar al een snoeperig zeeppoppetje gegeven....

De kist werd afgeladen, door Wongso open gemaakt; het deksel sloot maar losjes.

„Tuk, tuk tuk, tjoek, tjoek tjoek" Wat was dat?

In de groote teenen mand, die Nel nu zelf voor den dag haalde, zaten twee snoeperige, kleine krieltjes: een haan en een hennetje, beide spierwit. Nel had ze wel zoo in de armen willen nemen en zoenen.

„O, wie heeft me dat gestuurd? Wat een snoeperige, schattige beestjes! Wat ben ik daar dol, dol blij mee."

Fritsje kon zich niet meer inhouden. Nel keek maar van pa naar ma, van Jan naar Dolf, in 't geheel niet naar hem. „Van Poekie," gilde hij 't juichend uit, „Nel,

je hebt ze van Poekie " Dat gaf een omhelzen en

gezoen.... De bitterkoekjesergernis werd er schoon door vergeten.

Mama had voor een lekkere boterham gezorgd tot prettig besluit van den genotrijken avond. Dat er

Sluiten