Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

136

en Nel verheug ik mij er erg op, dat we nu zoo gauw mogelijk de bergen ingaan. Jullie hebt 't bepaald hard noodig. Naderhand begin je weer met frisschen moed, Jan."

Maar Jan zuchtte: ,,'t Is echt lam, Fré en Henk en Geurt, al mijn vrinden, zijn wèl overgegaan, nou raken we natuurlijk heelemaal uit elkaar."

„Dat hoeft nog niet, vent; de vrienden weten immers ook wel, dat je niet door je eigen schuld telkens thuis moest blijven. Kom, vooral Fré is een veel te trouwe

vrind om je ooit in den steek te laten. Maar Jan

wat zie ik, tranen? Tob niet langer, beste jongen, en denk liever aan de leus van Dolf: „Den kop er tegen in, Jaromir."

Jan wischte zijn natte oogen af, en gaf mama een zoen. „U is toch maar de beste „troosteres", zooals Frits vroeger altijd van Nel zei," verzekerde hij, al wat opgebeurd, en met de beste voornemens bezield om door dubbel zijn best te doen den verloren tijd in te halen.

Allen, mama en papa niet uitgezonderd, vonden 't verrukkelijk om 't warme, stoffige Soerabaia voor geruimen tijd vaarwel te zeggen, 't Zou wel wat behelpen zijn „boven", maar men kon 't mooie geriefelijke huis nu eenmaal niet meenemen. En voor een poosje was dat ook zoo erg niet.

Sluiten