Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXI EEN VRIEND VAN PHILAX XXI

Voor Philax, den hond, was deze tijd niet minder heerlijk, dan voor de menschen en kinderen, 't Was, of hij weer jong werd opnieuw, zoo kon dat beest rennen en draven. Op iederen toch was hij van de partij, en Lax deed den weg zeker drie, vier maal, met zijn noodeloos heen en weer rennen, beweerde Jan.

„Dat lijkt maar zoo," nam Dolf 't voor Philax op, „Laxje wil ons in al zijn vreugde laten deelen en kan alleen maar niet vertellen, wat voor bizonders hij ontdekt en opgesnuffeld heeft."

Op een avond was Lax op z'n eentje uitgegaan en bracht bij zijn thuiskomst een leelijk, mager gladakkertje mee, dat er dan al verbazend uitgehongerd uitzag.

't Was te vuil om met een tang aan te raken, zat vol wonden en bloed. Lax kwam kwispelstaartend tegen den baas opgesprongen, en keek terwijl naar zijn schooierachtigen vriend om, als wilde hij vragen: „En wat zeg je daar nou van? Mooi en zindelijk is hij niet, maar daar letten wij honden niet op onder elkander."

Dolf liep naar 't keukentje en vroeg kokki, of ze eten voor hem had. Nou, er bleef altijd wel een kliekje over, en de vrind van Lax kreeg een diep bord vol rijst en soepbeentjes, dat hij in minder dan geen tijd had leeggesch ranst. Met hulp van Wongso waschte Dolf

Canneheuveltjes in Indië. 3e dr. 10

Sluiten