Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 219 —

doek werd om Phyllis' been gebonden en zoo keerden ze naar huis terug.

De lessen vielen Bobbie dien dag buitengewoon moeilijk; ze kón er haar aandacht niet bn' bepalen, ja ze tobde zoo onbegrijpelijk met een doodgemakkelijk sommetje, dat Moeder haar bezorgd aankeek.

„Voel je je misschien niet goed, kind?" vroeg ze.

„Bc weet het niet," klonk Bobbie's onverwacht antwoord. „Bc weet niet wat ik voel. 't Is heusch niet, dat ik er te lui toe ben, maar — mag ik vandaag eens geen sommen maken, Moes; ik heb telkens zóó'n raar gevoel, dat üc 't liefst alleen buiten zou zijn."

„Goed, neem dan maar vrijaf," zei Moeder, Bobbie onderzoekend aankijkende, „maar —"

Klets! daar het Bobbie haar lei vallen; ze barstte in drie stukken en kon nooit meer gebruikt worden. Zonder die zelfs op te rapen, stoof ze de kamer uit. In de gang, waar ze zenuwachtig tusschen de mantels grabbelde naar haar tuinhoed, kwam Moeder nog even bij haar.

„Wat is er, hevehng?" vroeg Moeder. „Je voelt je toch niet ziek, wel?'"

„Bc weet het zelf niet," antwoordde Bobbie, een beetje gejaagd, „maar ik wou het allerliefste maar alleen zn'n, dan gaat dat rare, griezelige, benauwde gevoel in nüjn hoofd en hier van binnen misschien wel over."

„Was 't niet beter als je een uurtje naar bed ging?'" vroeg Moeder, Bobbie's haar naar achteren strijkend.

„Neen, üc ga hever in den tuin," zei Bobbie.

Maar ze had geen rust in den tuin. De dahlia's en de asters en de late rozen schenen allemaal op iets, te wachten, "t Was een van die heldere, héél stille najaarsdagen, waarop het net hjkt, alsof de heele natuur in afwachting is.

En Bobbie kón niet rustig wachten. „Bc geloof dat üc maar eens met Perks ga praten," dacht ze, en ze hep naar het station.

Sluiten