Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

gebleven. De vroegere heer zegt daarin, dat hij aan zijn voormaligen hoorige een nieuw privilegium verstrekt in de plaats van den oorspronkelijken brief, die door nalatigheid zoek was geraakt 1).

Het schijnt ook te zijn voorgekomen, dat geestelijken hunnen eigenmannen de vrijheid schonken niet in de kerk, maar door middel van een brief. Dit meen ik te mogen opmaken uit een oorkonde van 1267, waarbij Gerard, bisschop van Munster, een ministeriaal der kerk per presens scriptum uit de ministerialiteit der kerk ontslaat. De bisschop verklaart daarbij, dat de voormalige ministeriaal zich thans „vrij mag begeven waarheen hij wil" 2).

Zulk een brief wordt ook wel libellus genoemd, als b.v. in een formulier bij Marculf: „Met dezen libellus schenken wij u, onzen broeder, die tot nog toe onder de familia dezer kerk in den slavenstand verkeerdet, de vrijheid".

Zulk een vrijgelatene werd homo chartularius (brief-man) genoemd. In 803 werd bepaald, dat de chartularii niet vóór het derde geslacht in de mannelijke lijn konden erven 3). Dit werd echter 10 jaren later herroepen door een besluit, dat hij, die met een brief was vrijgelaten in alle opzichten gelijk stond met een vrij-man 4). Bij de vrijlating werd de vrijbrief op het hoofd van den vrijgelatene gelegd 5), misschien opdat alle aanwezigen het document zouden kunnen zien. Du Cange (i. v. m a n u m i s s i o, p. 245, col. 2) haalt een voorbeeld aan, dat de brief van het hoofd werd gerukt door iemand, die zich tegen de vrijlating verzette.

d. Vrijlating bij testament.

Ook deze vorm van vrijlating kwam zoo veelvuldig voor, dat Marculf er een formulier voor opgaf, en wel van dezen inhoud: „Aan zijnen geliefden A. of B. Uit hoofde uwer trouw en mij betoonde dienstvaardigheid maak ik u tot vergiffenis van mijne zonden vrij van eiken band van dienstbaarheid, op deze voorwaarde evenwel, dat gij mij dient zoolang ik leef. Na mijn dood zult gij, zoo gij mij overleeft, even vrij zijn, alsof gij aan vrijgeboren ouders ontsproten waart, en aan geen mijner erfgenamen, achtererfgenamen of wien ook eenigen dienst verschuldigd zijn. Uw peculium, dat gij hebt of nog verwerven kunt, wordt u geschonken" enz. 6). Of: „Wanneer wij een onzer slaven bevrijden van het juk der slavernij, vertrouwen wij, dat wij hiernamaals daarvoor beloond zullen worden. Derhalve ontbind ik in naam des Heeren en in de hoop op eeuwige belooning u, X, van eiken band van slavernij, zoodat gij van heden af een vrij leven zult leiden, even vrij alsof gij uit vrije ouders geboren waart. Geen mijner erfgenamen (enz.) zult gij hulde verschuldigd zijn anders dan met volkomen behoud van uwe vrijheid en zonder eenige andere verplichting dan dankbaarheid aan hem, dien gij uit mijne

1) Kindlinger, a.w., No. 50a (d.d. 21 Augustus 1294).

2) Ibidem, No. 33 (d.d. 26 Juli 1267).

3) Vierde capit. 803, c. 9 j°. 8 (II, p. 185).

4) Derde capit. 813, c. 12 (II, p. 265).

5) Tweede capit. 806, c. 7 (II, p. 221).

6) Marculfl Formulae, II, No. 33 (III, p. 333).

Sluiten