Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

beurde al het hem verschuldigde, doch betaalde geene schulden van den boedel. De oudste zoon bleef op het goed en erfde '2/a; het overige moest hij zijnen broeders en zusters in geld uitkeeren ten overstaan van den rentmeester, waarbij de jongste broeder voor de oudste zuster ging 1).

In 1309 gaf Beatrix, abdis te Essen, eene verklaring aan den bisschop van Utrecht aangaande de rechten harer eigenhoorigen op de hoven van Archem, Irthe en Olst ten aanzien van schenkingen en erfmakingen. De hoorigen op deze hoven beweerden, dat zij op hun sterfbed hun „peculium" en fortuin (res) konden nalaten aan wien zij wilden, mits zij aan het klooster of aan den schout in Salland 30 sol. kleine zwarte tornoysen betaalden. De abdis verklaarde daarentegen, dat haar klooster sedert zijne stichting bij den dood van alle hoorigen, waar die ook plaats vond, het recht had bezeten op het beste paard, de beste wapenen en kleedingstukken, waarmede de overledene ter kerk en ter markt placht te gaan, volgens „herwede-recht", en eveneens op het lijfgoed en het geld (res) van overleden vrouwen, gewoonlijk „gerade" genoemd. Wanneer een der echtgenooten kwam te sterven, verviel de helft zijner of harer nalatenschap aan het klooster, uitgezonderd het op de akkers van den mansus staande graan (fruges); verder 7 ganzen, 12 kippen en 1 haan, alle vaten, landbouwgereedschappen en wagens, behalve die met ijzeren beslag (currus ferratus). Stierf echter een weduwnaar of eene weduwe, dan werd gehandeld als boven en de nalatenschap beschouwd tamquam peculium nostium 2).

Overneming van een hof moest in Gelre (Geldern) geschieden „mit tween handen", waarvan elke den heer „van gewynne" 5 mark moest betalen. Stierf een der „handen", dan was de overlevende verplicht eene andere te stellen. Dit kostte in 1473 voor een geheelen hof 10 mark, voor een halven 5, meer of min naar taxatie door schepenen 3). Ruiling kon alleen geschieden door tusschenkomst van den heer of den rentmeester en met betaling aan den heer voor „het gewin" „half geit" t. w. 21/2 mark. Zij moest plaats hebben in tegenwoordigheid van den rentmeester en twee schepenen der voogdij 4).

In den regel was de oudste zoon de presumptieve erfgenaam van het goed, doch hij kon er slechts aanspraak op maken, als hij aan bepaalde hofrechtelijke vereischten had voldaan. Uitzondering werd gemaakt in het geval, dat hij hoorig was aan een anderen heer; gaf deze zijne toestemming, dan moest de hoorige een huider stellen of „oprukking" (uitstel) verzoeken, die voor een bepaald aantal jaren — gewoonlijk van 7 jaren tot 7 jaren — werd verleend 5).

Stipte betaling van de pachten werd geëischt. Het kapittel van St. Marie te Utrecht verpachtte in 1258 den Riplikerhof op de Veluwe volgens recht van eerstgeboorte voor een jaarlijksche pacht van 10 malder weit en 25 malder gerst, op aanzegging door een bode op St. Petri ad Cathedram (22 Februari) te Deventer of te

1) Schrassert, a.w., II, blz. 276. 2) Nijhoff, Gedenkw., I, No. 107. 3) Henrichs. a. w., S. 75. 4) Henrichs, a. w., S. 8. 5) Schrassert. a. w., II, blz. 328.

Sluiten