Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

coloni van den fiscus en van godshuizen hadden gedaan," die hunne erven (hereditates) niet alleen aan hunne gelijken, maar ook aan geestelijken, kanunniken, dorpspastoors en allerlei slag van menschen verkochten en alleen hunne hut (cellam) behielden. Daardoor werden de hoven (ville) zoozeer te gronde gericht, dat men er de verschuldigde tynsen niet meer van kon vorderen, ja zelfs dat men niet meer kon nagaan, welke landerijen bij de verschillende hoven behoorden. De koning verbood derhalve zulke verkoopingen zonder machtiging van den hofheer.

Door dit erfelijk grondbezit verschilde de positie van den colonus dus reeds destijds van die van den slaaf van vroegere tijden in een zeer gewichtig opzicht; bovendien kon hij een wettig huwelijk aangaan, zooals blijkt uit koop- en schenkingsacten, waarin zijne huisvrouw (uxor) en kinderen met name voorkomen. In lateren tijd zien wij den stand der coloni zoo al niet overeenkomen met, dan toch naderen tot dien der casati; dan wordt er gezegd, dat iemand colonili more propriam deserviat hereditatem, tamquam unus saepefatae curtis colonus hereditar i us, nulli numquam reddens servitium nisi beato Martino et ipsius loei (d. i. Tours) canonicis 1).

20. DIENSTMANNEN. I Ministeriales.)

Er bestaat eene categorie van personen, die uit hoofde van diensten, die zij verplicht waren te verrichten, de benaming droegen van dienstmannen (ministeriales). Hun sociale stand was zeer verschillend en hing geheel af van de diensten, die zij te verrichten hadden, en van den stand van hem, wiens dienstman zij waren. De dienstman kon een edelman zijn; zoo waren er, die de hoogste betrekkingen aan het hof en in den lande vervulden. Maar daarnaast bestond een zeer uitgebreide klasse van dienstmannen van lageren rang.

In de Salische wet (titel XI) werden de dienstmannen gelijkgesteld met allerlei handwerkslieden, zelfs met den zwijnenhoeder en de huisknechten, en was eene boete van 35 sol. gesteld op het verkoopen van een gestolen dienstman, die 25 sol. waard was. Desgelijks in het Capitulare de villis van Karei den Groote § 41, waar men leest: „de stallingen, de keukens, de bakovens en de wijnpersen moeten behoorlijk in orde worden gehouden, opdat mijn dienstmannen daar behoorlijk hun diensten kunnen uitoefenen".

, Door het verrichten van krijgsdienst verhieven de dienstmannen zich langzamerhand boven hun oorspronkelijken stand, werden zij de gelijken van vasallen en ontvingen zij erfelijke leengoederen. Daaruit ontwikkelde zich in den loop der tijden de lagere adel; in Duitschland stammen zelfs sommige rijksridderschaps-familiën van dienstmannen des keizers af. In 1204 is er sprake van een ministeriale van den graaf van Gelre, gehuwd met ridder Milo van Stralen 2).

1) Cronique des comtes d'Anjou, Introduction, Piëce justificative No. 11, Sée p. 50.

2) Schrassert, Cod. Gelro-Zutph.. II, blz. 240, § 1, No. 2.

SLAVERNIJ EN DIENSTBAARHEID.

Sluiten