Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1883

94

tractaat, dat handelt over de reformatie dierzelfde kerken, wier reformatisch leven in den grooten hervormer zijn oorsprong vond, en een bewijs tevens, dat de voorstelling geheel onjuist is, alsof Gereformeerden altijd bezield zouden zijn met kleingeestige enghartigheid en alleen nog een hart hebben voor wat gevonden wordt in hun eigen kring.

Het is een werk van studie, dat hier aangeboden wordt Hoewel duidelijk en als voor het volk geschreven, draagt het toch de sporen van diepgaand onderzoek op het voorhoofd. En de schrijver voorzag terecht dat zijn werk, hoewel slechts een flauw schaduwbeeld van wat een „handboek voor Gereformeerd Kerkrecht" behoort te zijn, toch in die richting vooreerst dienst zou moeten doen. Met het oog daarop was het dan ook goed, dat er het volgend jaar ook een minder kostbare en meer handige uitgave van dat Tractaat het licht zag.

Het werk is verdeeld in vier hoofdstukken.

Het eerste handelt over de algemeene beginselen, die het kerkelijk wezen beheerschen, over de rechte forme der kerk, over het vierderlei gezichtspunt, waaruit de ééne kerk kan beschouwd worden, over het Woord Gods als heel het leven beheerschend, over het Koningschap van Christus in de kerk, en over de wijze waarop Christus dat Koningschap, behalve door Zijn Woord en Geest en Wereldbestuur, in de kerk uitoefent door het ambt, dat oorspronkelijk in het apostolaat één, straks in deze drie: leer-, regeer- en ambt der tafelen, uiteenvalt

Het tweede hoofdstuk bespreekt de Formatie der Kerken, en toont aan, hoe een formatie der kerk in haar zichtbare verschijning tot stand komt, hoe het wezen van zulk een zichtbare kerk alleen ligt in de onzichtbare, hoe elke plaatselijke kerk in zichzelve het wezen eener kerk heeft, en uiterlijk verband met andere kerken alleen berusten kan op confoederatie. Verder wordt uitgezet, dat het gezag eener zichtbare kerk alleen berust bij Christus, die het echter middellijk uitoefent door het ambt, en wel, essentieel door het ambt aller geloovigen, organisch door de dienaren. En nadat in een schoone paragraaf de verschillende stelsels van kerkregeering besproken zijn en de eigenaardigheid van het Gereformeerde is aangewezen, wordt verder de aandacht gevestigd op het gezag en de beteekenis van elk der ambten afzonderlijk, en op de inwendige regeling der kerk zelve en haar verband met andere kerken.

Sluiten