Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1886

168

dan om, gebruik makende van wat ons rechtmatig en plichtmatig scheen, de verschuldigde trouw aan onzen Koning te bewijzen, komt dus zelfs voor wat betreft het veelgewraakte art. 41 geen sprake.

Wel kan en mag natuurlijk gevraagd, of onze handeling in deze zaak misschien uit juridisch-oogpunt niet aan bedenking onderhevig ware; maar gesteld al, dit ware zoo, dan zou rechtsdwaling toch nog nimmer onze intentie van trouw aan Koning Jezus in ontrouw kunnen omzetten; terwijl ook voor het overige de rechtsgeleerde adviezen van vele uitnemende juristen aantoonden, boe zelfs de bewering, als verkeerden we in rechtsdwaling op haar zachtst genomen, nog steeds wacht op bewijs.

§ 8. Zoo blijft het dan onze oprechte Muiging en gansch eerlijke overtuiging voor God en menschen, dat in geheel dezen handel van Maart 1885 af tot nu toe, onze gedraging door al onze zondigheid en gebrekkigheid heen, toch niet anders bedoeld heeft dan om door de genade des Heeren bewaard te blijven voor verraad aan Zijn zaak, voor verloochening van Zijn Naam en voor ontrouw In onze Bediening. En het is krachtens deze onwankelbare overtuiging, die we hiermee voor de consciëntie van al onze Kerken en haar ambtsdragers leggen, dat we tot geen ander inzicht kunnen komen, dan dat de hoogere Besturen juist dit gehoorzamen van onzen Koning, tegen hun ongoddelijken last In, niet in ons konden dulden en ons deswege, en deswege alleen, hebben ontzet

En hiermee nu is de zaak beslist.

Zoo betuigen en verklaren wij ondergeteekenden dan, op de gronden, die in het voorgaande zijn uiteengezet, dat wij de ontzetting, die ons van de zijde der Synodale Hiërarchie trof, niet kunnen noch mogen achten als een uitspraak, die ook in de hemelen zou gebonden zijn bij den Heere. Dat wij ons derhalve niet kunnen, noch mogen rekenen als ontzet door den Koning der Kerk, gelijk we ontzet zijn door de Hem steeds verloochenende Synode. En dat we uit dien hoofde, noch wat onze bedieningen, noch wat onze ambten aangaat ons beschouwen mogen of kunnen, als door onzen Koning van den plicht tot ambtsvervulling ontslagen.

Nog onverlet en onverkort in het door Hem ons verleende ambt staande, moeten we dus wel weigeren, terwille van het over ons gestreken vonnis, daar uit te treden, en zullen wij, een iegelijk voor ons in de Bediening daarvan op zulk een manier en zoo lang voortgaan, als oJ. door den trouw aan Koning Jezus wordt geëischt

Als nog Bedienaren des Woords zijnde, als nög in het Opzieners-

Sluiten