Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

237

JAARTAL 1888

Calvinisme moet geargumenteerd. Daartoe onderscheidde hij tusschen het formeele uitgangspunt van het Calvinisme, en de materiëele eigenaardigheden, waarvan het blijk had gegeven.

Formeel was het Calvinisme gebonden aan de Heilige Schrift, en zoo moest in de eerste plaats onderzocht welke de aesthetische achtergrond was van de Openbaring in de Heilige Schriftuur. Dezen vond spr. in het „rijk der heerlijkheid", en hij toonde aan, hoe het eigenlijk schoon bestaat in het doorschijnen niet van een idee, noch van den geest, maar van wat Paulus in Rom. 1:20 noemt „de goddelijkheid". Dit schoon sprak op een eigen manier in de stof en in den geest en in beider verband. En God, die als Kunstenaar het geestelijk schoon en natuurschoon schiep, schiep dit allereerst om zichzelf, om er zelf in verheerlijkt te zijn. De mensch, als naar het beeld Gods geschapen, bezit op zijne wijze evenzoo èn de gave om schoon voort te brengen èn om in het schoon te genieten. Terwijl het ideaal van alle schoonheid gezocht moet in den Christus, in den staat zijner verheerlijking naar lichaam en ziel beiden.

Bleek hieruit, dat de schriftuurlijke achtergrond voor de wereld van het schoone het Calvinisme niet belette de kunst te waardeeren, in positieven zin diende gerekend met het terugdringen door het Calvinisme van de kerkelijke overmacht, waardoor de kunst haar vrijheid herkreeg; met de uitverkiezing als gronddogma van het Calvinisme, waardoor ook het kunstoog voor het kleine en nietige ontsloten werd; met het verzet van het Calvinisme tegen het Doopsche spiritualisme; en met het huiselijke, democratische en puriteinsche karakter, dat van het Calvinisme onafscheidelijk was, en waardoor onze kunst een eigen karakter ontving

Minder gunstig voor de ontwikkeling der kunst was ongetwijfeld een zesde trek, die niet verzwegen mag. Het Calvinisme is puritelnsch. Het verbood spel, dans en komediebezoek, en had weinig sympathie voor het naakte beeld. Zedelijke motieven golden hier. Datzelfde Calvinisme, dat door zijn eeuwige verkiezing alle verdienste aan het goede werk ontzei, verloor zich zoo weinig in lijdelijk ethisch indifferentisme, dat geen richting sterker dan juist de Calvinistische op eerbaarheid en ingetogenheid drong. De gedachte, dat het naakte beeld niet te beitelen noch te penseelen viel, of een vrouw moest haar schaamte overwinnen en zich urenlang naakt in het atelier aan mannenoog vertoond hebben.

Sluiten