Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1890

280

In De Standaard van 19 Februari sprak Dr Kuyper dan ook de verwachting uit, dat het beginsel in art 18 van ons program beleden, waarom Keuchenius zijn portefeuille offerde, door zijn opvolger Mackay niet zou worden prijsgegeven, en dat eerlang de hoop der tegenstanders, alsof ze met Keuchenius van het Christendom in Indië af waren, voor hen op zeer stellige teleurstelling zou uitloopen.

De Interpellatie-Van Dedem nu liep o.a. over deze vraag: handhaaft de Regeering haar op 28 Januari U afgelegde verklaring, dat zij zich verplicht acht, binnen den kring harer bevoegdheid, mede te werken, om Nederland, ook in Indië, als Christen-natie te doen optreden. Daarbij poogde deze interpellant de Liberale partij vrij te pleiten van onverschilligheid voor, of tegenwerking van het Evangelie in Indië; waartoe hij uitvoerige aanhalingen deed uit de redevoeringen van Dr Kuyper in 1875 in de Tweede Kamer, om daaruit af te leiden, dat die woordvoerder der Antirevolutionaire richting toch ook niet wilde een Staats-Christendom in Indië en met de Liberalen op gelijken bodem stond. Toen gaf bet Kamerlid van Alphen in het kort weer, welke de gevoelens waren van Dr Kuyper omtrent de verhouding der Regeering in Indië tegenover den godsdienst n.1. bij erkenning van gewetensvrijheid toch naar vermogen den verzengenden stroom van den Islam te stuiten en voorts vooral aan het Christendom een waardige positie te bereiden.

Daarop verklaarde de Regeering bij monde van den premier, dat ze de verklaring van 28 Januari handhaafde. Openlijk sprak hij uit, dat hij niet wilde, dat men zich van Regeeringswege in Indië schamen zou voor het Christendom. Integendeel, hij beschouwde het brengen van het Evangelie daar als den besten waarborg voor ontwikkeling, welvaart en vrede: in één woord, hij stelde in dezen geen enkele wijziging van het Regeeringsinzicht in uitzicht

Maar nu heette het aldra in de Liberale, Conservatieve en Roomsche pers, dat de Regeering zich wel vereenigd had met het negatieve program uit Dr Kuypers rede van 1875, door den heer Van Dedem geciteerd; maar botweg gezwegen had op het positieve program van Dr Kuyper, waarop de heer Van Alphen wees.

Hierop diende Dr Kuyper in een Standaard-asterisk (20 Maart) aldus van antwoord:

Sluiten