Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1890

286

een stokje, van te voren tot onvruchtbaarheid gedoemd. Toch is het gebleken een zaad te zijn geweest, dat allengs vruchten droeg. En zoo ging het woord in vervulling, dat Dr Kuyper sprak toen men zijn voorstellingen, omtrent hetgeen in het belang der werklieden te doen stond, te nevelachtig, niet dan nevelen waren, „Mijnheer de Voorzitter, zoo repliceerde hij, accipio omen! Wie ooit de bergen beklom, weet, dat ook daar nevelen hangen, maar nevelen die schaars in malsche druppelen neervallen; hoe uit druppels zich beekjes vormen, en uit die beekjes allengs een stroom ontstaat. Moge zoo ook uit den nevel, dien ik hier deed opgaan, van lieverlede druppelen; uit die druppelen een beekje worden, en dat beekje zich allengs verbreeden tot een frisschen stroom, die ons maatschappelijk leven dragen kan."

Voorts was het op den 28sten November 1874, dat Dr Kuyper uit het zakbijbeltje van zijn oudsten zoon in de Tweede Kamer de bekende woorden uit den brief van Jacobus, beginnende met: Welaan nu, gij rijken! voorlas. Deze zijn klacht over „het loon der werklieden" heette toen een vermenging van communisme en Christendom. Wat Dr Kuyper echter ontkende. „Ik heb" zei hij „het communisme niet bepleit, maar bestreden, en juist de middelen zoeken aan te geven, waardoor men de rampzaligheden van dat gruwzaam stelsel, die ook onze maatschappij bedreigen, kon voorkomen."

Onder Electorale quaestie komt Dr Kuyper op voor „het volk achter de kiezers", — edoch, reeds toen een baken zettend bij de klip van het „algemeen stemrecht": „En hoezeer ik dan ook van de andere zijde volgaarne erken, dat er een nog niet vertegenwoordigd gedeelte van de natie is, dat niet ten onrechte verlangt ook zijn vertegenwoordigers hier te mogen zenden, zoo zal men toch gevoelen, hoe het algemeen stemrecht, als logische consequentie van de lijn waarop we ons thans bevinden, eenvoudig zou leiden tot overheersching van het meer ontwikkelde, fijnere, edeler element van de natie door de groote massa. Wie nu kan dit wenschen? Wie zou dit met mij niet ten ernstigste willen bestrijden? Is er dan, indien ge dit allen aanneemt, geen oorzaak voor de vrees, dat het scheepke van ons kiesstelsel werkelijk lek is ? Ik wil niet zeggen zóó lek, of met aanhoudend pompen zal het nog wel een tijdlang boven water zijn te houden, maar toch wrak genoeg om de vraag te wettigen, of bet allengs op stapel zetten van een nieuwen bodem wel zoo geheel overtollig zou zijn?"

Sluiten