Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

13

JAARTAL 1907

Bij die eindelooze apologetiek en die altoos defensieve houding, was het steeds de aanvaller, die den gang van de worsteling beheerschte. Hij koos de voor hem meest voordeelige punten uit. En de apologeten waren steeds genoodzaakt hem te volgen waar hij aanviel.

Van een eigen krijgsplan was zoodoende geen sprake. Het was een steeds genoodzaakt zijn, om de slechtste posities voor lief te nemen, die de aanvaller voor ons uitzocht.

De uitkomst was dan ook, dat men steeds meer terrein als verloren beschouwde en vóór en na prijs gaf wat men eerst nog poogde te verweren. Steeds kromp de verdedigingslinie in, en in steeds breeder phalanx ontplooide de aanvaller zijn gelederen.

Veel van het heiligste, waar de gemeente des Heeren bij leefde, werd op die manier gedurig aan een netelig dispuut over een enkel vers, over een enkel woord opgehangen. Bij het verschijnen van het ééne boek heette het dan, dat men althans deze of die.heiligheid nog in veiligheid had gesteld, maar als drie maanden later een ander boek verscheen, dat het opgezette getimmerte weer omverstootte, zaten onze apologeten weer in zak en assche.

Tegen dat Paschen in het zicht kwam, wist men in de zeventiger jaren nooit zeker, of Jezus nu waarlijk opgestaan, dan wel in zijn graf was gebleven. Het stond alles op losse schroeven. En wat het ergste was, onze geloovige apologeten konden dit niet zoo publiek uitspreken, en hielden zich voor de gemeente dan goed, maar voelden zichzelven dan ook steeds beklemd door de bange gedachte: Als de gemeente eens alles wist!

In plaats van zelf moed, kracht en bezieling aan het geloof der gemeente te ontleenen, won dag bij dag de onzalige methode veld, om er tweeërlei geloof op na te houden, het ééne voor de gemeente, en het andere voor de studeerkamer en voor de collegedictaten.

Anderen ergerde dit dan weer; zij poogden het over een anderen boeg te werpen; vleiden onder het geloof der gemeente een vloer van philosophische makelij; en stalden, nadat die ondervloer gereed was, daarop hun eigen subjectieve overtuiging voor de gemeente uit. Een kring, die hen volgde heette dan de gemeente. Hetgeen ze zeiven in dezen kring ingang hadden doen vinden, noemden ze dan het geloof der gemeente, en gaven hun in dien vorm overgegotene philosophische theologie voor de belijdenis van Christus' kerk uit.

Zoo tuimelde dogma na dogma, en werd de Heilige Schrift gemetamorphoseerd in een bundel van boeken, waar een heiliger geest u uit tegenademde, maar zonder dat ge eigenlijk in iets op die Schrift aankondt

Aldra voelde ik, dat noch die apologetiek, noch die verphilosopheerde theologie in staat was, aan ons Christenvolk zijn ouden belijdenismoed, zijn vroegere geestelijke veerkracht, zijn onwankelbare zekerheid te hergeven.

De kracht der eerste gemeente had gelegen in haar getuigen, in haar belijden, in haar uitkomen voor haar heilige overtuiging, in eiken kring en tegenover eiken tegenstander.

Sluiten