Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JAARTAL 1918

452

De mij toebeschikte jaren loopen ten einde, en het beste deel van mijn levenskracht ligt achter mij. Juist daarom echter voelde ik mij te meer gedrongen, om u ditmaal vooral op den heiligen band te wijzen, die ons steeds saam mocht binden. De kleyne luyden te bezielen is steeds mijn streven geweest. Blijve het van God uitgaan, daarom steeds ons onveranderlijk bedoelen. Al verdonkerde het opnieuw, 't ka^-immers uit genade steeds weer onder ons opkomen. Meer dan een eeuw lang herkende men ons nauwlijks meer, en scheen aard en innerlijke aandrift bij ons weggescholen. Toch trad de hoogere zin, toen God in ons sprak tevoorschijn. Laat daarom nimmer de wanhoop u verschrikken. Wat ook onder ons inzinkt, onze God zal ons steeds weer terugroepen, naar wat door lafheid en geestesverflauwing teloor ging. En daarom zij 't u door uw straks verscheidenden Voorzitter, als de vurigste bede uit zijn hart, toegeroepen: „Blijft mannenbroeders, de kleyne luyden, maar blijft, om 't te kunnen zijn, steeds groot in uw God."

Dr. A. Eekhof, De Theologische Faculteit te Leiden in de 17de eeuw, blz. 23, noemt als een karakteristieken trek van het Gereformeerd Protestantisme, dat het zijn meeste vertegenwoordigers onder de „kleyne luyden" vond, en citeert dan in een noot uit Dr. Kuyper's Deputatenrede het woord van Prins Willem; maar voegt er de opmerking aan toe: „Bij welke gelegenheid de Prins van Oranje dit woord heeft gezegd, wordt door den schrijver niet aangeteekend". Het ligt o. i. echter voor de hand, dat Dr. Kuyper ook nu het oog had op de woorden, die hij reeds in De Standaard van 1 April 1872 had aangehaald, en die men in Groens Handboek, § 160, als aan Bor ontleend, aldus vindt weergegeven: „Door de Predikanten werden vele vruchtbare collectatiën gedaan; waarbij de luiden van kleine en ook middelbare middelen en rijkdommen hun goede hart en genegenheid wel toonden; maar onder de rijken waren er velen die zich excuseerden en hielden zich alsof zij schielijk heel arm geworden waren; ja velen contribueerden alleen om in 't rolleken te staan." Zie: Oorspronk der Nederlantsche Beroerten Dl % ed. 1679, blz. 312, 2e kolom. Zie voorts nog in De Standaard van 12 November 1877: „Gelijk Prins Willem de Eerste het aan Marnix beschreef: „luyden van kleine middelen, maar aan Calvijn en aan Oranje trouw".

Bij de stembus van 1905 schreef de heer D. Hans een hatelijk pamflet tegen Dr. Kuyper, onder den titel: „De man der Kleine Luyden".

219. Vir clarissimus F. L. Rutgers. Almanak van het Studentencorps aan de Vrije Universiteit, 1918.

Had Dr. Kuyper reeds met het oog op het emeritaat van Prof. Rutgers in den Almanak van 1911 een artikel geschreven, en aanstonds

Sluiten