Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 16.

153

stemming met art. 1186 B. W. moet, volgens Weebklad no. 1506, aan het woord „stoffeering", voorkomende in art. 16, dezelfde beteekenis worden gehecht als aan dat woord, voorkomende in art. 1186 B. W. (a).

Ook in van Nieüwkoyk, Fiscaal Recht, § 83, wordt deze meening verdedigd. .

De uitdrukking „stoffeering" heeft alleen dan de beteekenis, die daaraan wordt gehecht in art. 573 B. W., indien deze uitdrukking wordt gebezigd zonder eenige bijvoeging, uitlegging, uitbreiding of beperking. Zie art. 568 B. W., opgenomen in aant. 13 op art. 14.

De Arr. Rechtbank te's-Gravenhage besliste bij haar Vonnis van 27 Mei 1915, opgenomen in De Invordering no. 33, dat, al moge aan de woorden „al hetgeen tot stoffeering is", voorkomende in art. 1186 B. W., ruimer beteekenis zijn toe te kennen, dan aan het woord „stoffeering" naar art. 573 B. W. is te hechten, niettemin die woorden niet zoo ruim zijn op te vatten, dat zij zouden omvatten alle, op het gehuurde, aanwezige goederen, doch slechts de zoodanige, die tot gebruik van het gehuurde aldaar aanwezig zijn.

De verhuurder kan zijn voorrecht daarom niet doen gelden op den, in het gehuurde, aanwezigen winkelvoorraad.

Die voorraad strekt nl. niet om den winkel tot zijn bestemming dienstbaar te maken, maar tot uitoefening van het winkelbedrijf en is niet bestemd tot stoffeering, maar om zoo spoedig mogelijk te worden verkocht.

Waar hier te lande van den aanvang af en op goede gronden art. 1186 B. W. bijna algemeen is opgevat in bovengenoemden zin, daar kan, volgens de Rechtbank, de geschiedenis dezer wetsbepaling geen voldoende reden zijn om thans nog op die opvatting terug te komen.

De Rechtbank te 's-Hertogenbosch kende evenwel, juist op grond van de geschiedenis van art. 1186, aan het woord „stoffeering" een veel ruimere beteekenis toe en besliste bij haar Vonnis van 11 Dec. 1914, W. v. h. R. no. 9735, opgenomen in De Invordering no. 28, dat het voorrecht van den verhuurder ook rust op de zich in den verhuurden winkel bevindende winkelgoederen. Verg. de volgende aanteekening.

(a) Het eerste lid van art. 1186 B. W. luidt % „De verhuurder kan zjn voorrecht doen gelden op de vruchten, welke door takken aan de boomen, of door wortels aan den grond, nog zijn vastgehecht; voorts op de ingeoogste en nog niet ingeoogste vruchten die zich op den bodem bevinden, en op al hetgeen op den bodem is, zoo tot stoffeering van Het gehuurde hui» of der laijdipevi^als tot bebouwing of gebruik van het land, zooals het vee, de bouwgereedschappen en dergelüken; onverschillig of de hierboven gemelde gereedschappen al dan niet aan den huurder toebehooren".

25. Evenals in art. 1186 B. W. heeft het begrip „stoffeering" in art. 16, derde lid, een ruimeren zin dan in art. 573 B. W. en zal dit moeten worden uitgestrekt tot alle voorwerpen, die voor het gebruik en ten nutte van het huis of de landhoeve moeten dienen. Alzoo zal bijv. de deurwaarder zonder gevaar voor reclames kunnen overgaan tot inbeslagneming van losse kasten en verder gereedschap in een winkel, doch niét van den winkelvoorraad (a). Om een ander voorbeeld te noemen: het is dubieus, of biljarten (b) of muziekautomaten wel onder de stoffeering volgens art. 573 B. W. kunnen worden gerekend. Ten opzichte van art. 16, derde lid, is dit -evenwel geen vraag, daar ze dienen voor het gebruik en'ten nutte van het vertrek, waar ze geplaatst zijn. Weekblad no. 2248. (a) Verg. de vorige aanteekening.

(6)i De in een koffiehuis geplaatste biljarten, met toebehooren, maken deel uit van de stoffeering. Vonnis van de Arr. Rechtbank te 's-Gravenhage van 23 Dec. 1887, W. v. h. R. no. 6632.

Zie ook Weekblad no. 1506.

26.. Een rijwiel valt niet onder stoffeering, bedoeld in het derde lid van art. 16. De Invordering no. 13.

Sluiten