Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wet, Art. 16.

155

treft het beroep op de analogie van art. 1186 B. W., de geschiedenis der wet van 22 Mei 1845 bewijst, dat deze analogie zich niet verder uitstrekt, dan tot het le lid van art. 16 (c), en dat aan den wensch, in de Tweede Kamer der Staten-Generaal geuit, om bij wettige partieele onderverhuring, de goederen ook slechts partieel voor de belasting aansprakelijk te stellen, geen gevolg gegeven is. Res. van 15 Oct. 1847, no. 141.

(o) Toen de onderwerpelijke resolutie werd uitgevaardigd gold de wet van 1833. Verg. de artt. 32 en 33 der thans geldende Wet op de Personeele belasting.

(b) Deze resolutie, opgenomen in Off. Verz. 1846, no. 83, is vervallen bg §127 der instructie; zie bijl. A.

(c) Hier wordt bUjkbaar bedoeld: art. 1186 B. W.; zie aant. 24, noot o.

31. Door een derde bezwaar ingebracht zijnde tegen een inbeslagneming, wegens achterstallige personeele belasting, op grond, dat de bodem, waarop de goederen in beslag genomen waren, evenmin als de goederen zelve, aan den belastingschuldige in eigendom toebehoorden, is dit bezwaar ongegrond geoordeeld omdat door de woorden der wet, op den bodem van den belastingschuldige, niet is bedoeld het huis of de landhoeve aan den belastingschuldige in eigendom toebehoorende, maar door hem bewoond of bij hem in gebruik, en dat in dezen het huis, waarin de goederen zijn in beslag genomen, werkelijk bij den belastingschuldige in gebruik was. Res. van 29 Nov. 1847, no. 31.

Bij gemelde res. van 29 Nov. 1847, no. 31, is wijders nog verklaard, dat voor zoover er onder de in beslag genomen goederen zich bevonden, die niet tot stoffeering der woning dienden, het recht van terugvordering daarop niet zou kunnen worden betwist, zonder dat echter daardoor de geldigheid van het beslag op de overige verloren kan gaan.

32. De wet, bij inbeslagneming, als in art. 16 bedoeld, geen ander bezWaar of verzet van derden toelatende, dan in de gevallen, met name aldaar aangewezen, zonder eenigen schijn van bedoeling, om, evenals aan het slot van art. 12, ten aanzien van het recht van voorrang, de terugwerkende gevolgen daarvan voor te komen, heeft daardoor eiken anderen grond van terugvordering, ook die van eigendom, vóór de inwerkingkoming der wet verkregen, bepaaldelijk ongeldig gemaakt, gelijk de bevoegdheid om in beslag te nemen de in art. 16 bedoelde goederen, die zich, tijdens de inbeslagneming, op den bodem des belastingschuldigen bevinden, reeds op zich zelve alle onderzoek naar den eigendom buitensluit (a). Res. van 21 Dec. 1847, no. 110.

(a) Wanneer de belastingschuldige evenwel niet op zijn eigen, maar op een andermans „bodem" woont, is het gewenscht vooraf een onderzoek naar den eigendom van de in beslag te nemen goederen in te stellen. Verg. de aantt. 39, 41 en . 42 hierna.

33. Bezwaren ingebracht zijnde door een derde tegen de inbeslagneming van goederen, zijn eigendom zijnde en niet dienende noch gediend hebbende tot stoffeering der woning van den belastingschuldige, 'maar tot stoffeering eener door den bezwaarde vroeger bewoonde kamer, is daarop te kennen gegeven, dat de meening, alsof door roerende goederen tot stoffeering van een huis, in art. 16 der wet, zouden moeten worden verstaan goederen, dienende tot stoffeering der woning van den geëxecuteerden belastingschuldige, in strijd is met de algemeenheid der uitdrukking, waarvan de wet, daar ter plaatse, zich bepaaldelijk bedient, en wier algemeene bedoeling te meer blijkt, bij vergelijking met de beperkende voorstelling van art. 1186 B. W. (a), waarop bij de samenstelling van evengenoemde wetsbepaling het oog is gevestigd geweest. Res. van 17 Januari 1850, no. 68.

(a) Zie aant. 24, noot a.

Sluiten