Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

252

Bijlage B, II (I. V.). — §§ 24—26.

declaratie wordt evenwel de gemeente ingevvdd waar de deurwaarder werkzaam is geweest.

De declaratie wordt op de gewone wijze behandeld, d.w.z. uitbetaald en ter verevening voorgedragen door den ontvanger die voor de executie van het dwangbevel had te zorgen (1).

1. Zie de §§ 74, e. v., der Instructie Invordering, opgenomen onder art. 14 der Wet op de Invordering.

§ 35. Iedere declaratie betreft slechts ééne gemeente en slechts ééne belasting, zoodat zij op één staat van oninbare posten kan worden verevend (1).

1. Verg. het tweede lid van § 108 der Instructie Invordering, in bijl. A.

III. Slotbepalingen.

§ 26. De directeur is bevoegd voor gemeenten van meer dan 50 000 inwoners te bepalen, dat de personen, die optreden als getuige of als bewaarder deswege eene naar plaatselijke omstandigheden te regelen belooning zullen genieten onafhankelijk van het resultaat der ingestelde vervolgingen (1).

Het door de belastingschuldigen als vacatiëloon van getuigen of als bewaardersloon betaalde bedrag wordt in dat geval aan het Bijk verantwoord (2)-

De uitbetaling en verevening van deze belooningen geschieden overeenkomstig het bepaalde in § 20 (8—4).

1. Blijkens § 30 der I. V. zijn alle voorschriften vervallen, welke met die instructie in strijd mochten zijn. Daaruit wordt de gevolgtrekking gemaakt, dat ook de res. van 9 Aug. 1910, no. 63 (a), vervallen is en wel op grond dat deze zou strijden met het bepaalde bij § 26 der I. V. Evenwel ten onrechte. De strekking toch van laatstgenoemde paragraaf is geen andere; dan den Directeurs de bevoegdheid te verleenen, tot het toekennen van een vaste belooning, hetzij per dag, hetzij per week of maand, aan de bewaarders in de groote steden, die geregeld als zoodanig optreden en daarvan, als het ware, hun beroep maken. Geenszins bedoelt zij hun de bevoegdheid te ontnemen, te beschikken op voorstellen tot toekenning van een hooger bewaarloon dan /1,— in die gevallen, waarin zulks onvermijdelijk is, zoodat genoemde resolutie van 9 Aug. 1910, no. 63, als zijnde niet in strijd met § 26, noch met eenige andere paragraaf der I. V., van kracht is gebleven. Res. van 6 Febr. 1913, no. 7.

(a) Opgenomen in aant.. 4 op § 15.

2. Verg. het tweede 'lid van § 18.

3. Verg. § 15, tweede lid, der I. O.

4. Wanneer bij de tenuitvoerlegging van dwangbevelen, afkomstig van de Rijksverzekeringsbank, personen, als bedoeld in § 26, als getuige of als bewaarder optreden, wordt eveneens het door de werkgevers als vacatiëloon van getuigen of als bewaardersloon betaalde bedrag aan het Rijk verantwoord.

De Uitbetaling en verevening van de aan deze personen toekomende belooningen geschieden mede overeenkomstig § 20.

Zie § 16 der I. O., alsmede aant. 10 op § 15 dier instructie, in bijl. C II.

Sluiten