Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

812

Bijlage D (Burg. Rechtsv.). — Art. 447.

Mr. van Rossem acht deze opvatting van Mr. de Pinto niet juist op grond, dat de bepalingen der tweede Afdeeling (derden-beslag), als het ware niet anders zijn te beschouwen dan als aanvullende bepalingen op die van het beslag op roerende goederen.

Mr. van Rossem is dan ook van meening, dat de artt. 447 en 448 ook bij het derden-beslag moeten worden in acht genomen.

Verg. De Invordering no. 19, blz. 50.

5. Het in beslag nemen van voorwerpen, vallende onder de artt. 447 en 448 W. v. B. R., kan een reden zijn tot het doen van verzet tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Zie art. 15 der Wet op de Invordering met aant. 26. 8'

6. In § 55 der Instructie Invordering, opgenomen onder art. 14 der Wet op de Invordering, zijn zaken genoemd, welke niet voor inbeslagneming vatbaar zijn.

Sub 1.

1. Zie art. 563 B. W., in aant. 13, lett. B, op art. 14 der Wet op de Invordering. Zie mede aant. 16 aldaar.

Sub %.

8. Volgens de Pinto moet onder de kleederen en het beddegoed m dit artikel bedoeld, worden verstaan, datgene wat tot kleeding en dekking noodig is; want het gaat niet aan, van iemand, die te bed ligt of ontkleed is, de kleeren in beslag te nemen, omdat hij er op dat oogenblik niet mee gedekt of gekleed is, evenmin om van iemand, die niet te bed ligt, het bed weg te nemen, omdat hij er op dat oogenblik geen gebruik van maakt.

Zoo ook kunnen zeker, ofschoon de wet het niet uitdrukkelijk zegt niet worden in beslag genomen de kleederen der vrouw; zelfs zijn er gevallen denkbaar, waarin de geëxecuteerde het recht heeft om te vorderen dat er een bed voor hem en een ander voor zijn vrouw buiten het beslag wordt gehouden. Verg. Caljé, De Deurwaarder, no. 129, en Fiscus no

9. Wanneer kleederen in beslag worden genomen, zal de deurwaarder moeten zorgen, dat er zooveel kleederen buiten beslag worden gelaten dat de geëxecuteerde en zijn gezin zich behoorlijk kunnen vertoonen' Vonnis van de Arr. Rechtbank te Utrecht (Kort Geding) van 29 Januari 1910; zie Caljé, De Deurwaarder, Supplement 1911, § 16.

10. Het bed, toebehoorende aan een bij den beslagene inwonend persoon, niet behoorende tot zijn kinderen, kan worden in beslag genomen. Deze persoon kan daartegen zelfs niet in verzet komen, omdat het bed behoort tot de stoffeering en zich op den bodem van den belastingschuldige bevindt, m welk geval het laatste lid van art. 16 der Wet op de Invordering zoodanig verzet niet toelaat. Fiscus no. 102.

11. Een ledikant valt niet onder „het noodige bed en beddegoed" bedoeld in art. 447, sub 2. Vonnis van de Arr. Rechtbank te 's-Gravenhage van 4 Mei 1897, W. v. h. R. no. 7027.

Volgens Mr. W. van Rossem, Bzn., moet onder bed ook verstaan worden een ledikant. Zie De Invordering nos. 15 en 16.

Sluiten